Home

Achtergrond 124 x bekeken

Lijfrente te laat betaald, toch aftrek volgens rechtbank Haarlem

Veel (agrarische) ondernemers maken gebruik van de stakingslijfrente. De winst behaald bij staking van de onderneming kan onder voorwaarden (deels) worden omgezet in een lijfrente. De belastingheffing over de stakingswinst wordt daardoor (deels) uitgesteld tot latere jaren. Dit kan een belastingvoordeel opleveren omdat de lijfrenteuitkeringen vaak tegen een lager tarief worden belast.

De lijfrentefaciliteit bevat maximumbedragen die variëren naar de mate van arbeidsongeschiktheid en de leeftijd van de stakende ondernemer. Zo variëren in 2007 de maximumbedragen van € 102.932 tot € 411.698.

Het laatstgenoemde maximumbedrag geldt:

  • voor de ondernemer die op moment van staken 60 jaar of ouder is, of
  • voor de ondernemer die op het moment van staken voor 45% of meer arbeidsongeschikt is en waarbij de lijfrente binnen zes maanden na het staken ingaan, of
  • bij het staken van de onderneming wegens het overlijden van de ondernemer.

    Is de ondernemer op het moment van staken ten minste 50 jaar of gaat de lijfrente dadelijk in, dan bedraagt het maximumbedrag € 205.854. Voor alle andere gevallen bedraagt het maximumbedrag € 102.932.

    Hoofdregel is dat de premie voor de lijfrenteverzekering betaald moet worden in het jaar van aftrek. Onder voorwaarden wordt de termijn met zes maanden opgerekt. Een betaling of verrekening van een lijfrentepremie binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar waarin de onderneming is gestaakt geldt als een betaling in het kalenderjaar.

    Onder zeer bijzondere omstandigheden mag de betaling of verrekening van de lijfrentepremie zelfs buiten de termijn van zes maanden plaatsvinden. De vertraging mag daarbij niet zijn veroorzaakt door de ondernemer. Hierover bestaat onder meer beleid dat is neergelegd in een ministerieel besluit.

    Rechtbank Haarlem heeft dit besluit van toepassing geacht in een procedure. Verkort weergegeven was de zaak als volgt. Een garagehouder staakte zijn onderneming op 31 december 2002. Bij de staking bracht hij het garagepand, waarin een aanzienlijke stille reserve school, over naar privé. De exacte hoogte van de winst bij overbrenging was op dat moment nog onzeker, omdat de ondergrond van het garagepand verontreinigd was. Bodemsanering was op langere termijn gewenst.

    De ondernemer wenste de voor hem maximaal haalbare lijfrente (€ 186.668, bedrag voor 2002) te bedingen. Hij beschikte echter over te weinig eigen middelen om de premie zelf te kunnen betalen. De ondernemer wilde de lijfrentepremie daarom financieren met een hypothecaire lening met het garagepand als onderpand.

    Voor het verkrijgen van deze lening was echter een (minnelijke) taxatie van het garagepand nodig. Ook de hoogte van de stakingswinst was tot in 2004 een discussiepunt, vanwege de onzekerheid over de staat van de grond, waardoor de ondernemer volgens de rechtbank niet exact kon weten wat de omvang was van de maximaal af te sluiten lijfrente.

    De minnelijke taxatie (waarbij de belastinginspecteur het garagepand bezocht) vond pas op 13 februari 2004 plaats. Direct hierna sloot de ondernemer de hypothecaire lening af. De adviseur van de ondernemer had bij diverse gelegenheden de inspecteur gevraagd spoed te zetten bij de diverse tussenstappen om de lijfrenteverzekering te kunnen afsluiten. Op maart 2004 had de adviseur de jaarrekening 2002 vastgesteld en had kort daarna de belastingaangifte 2002 ingediend.

    In de belastingaangifte had de ondernemer de lijfrentepremie van € 186.668 in aftrek gebracht. Op 13 mei 2004 had de ondernemer via een spoedopdracht € 187.000 aan een verzekeringsmaatschappij overgemaakt. Vrijwel direct daarna, 16 mei 2004, was de lijfrenteverzekering ingegaan.

    De inspecteur weigerde echter de lijfrenteaftrek in de belastingaangifte 2002 omdat de premie niet binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar was gedaan. Gezien de feiten van de procedure was de rechtbank echter van mening dat de late betaling van de lijfrentepremie was veroorzaakt door een omstandigheid die de ondernemer redelijkerwijs niet kon worden aangerekend. Er was sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. De ondernemer had toch recht op de lijfrentepremieaftrek.

    Mr. P.L.F. (Pieter) Seegers (voorzitter Platform landbouwnormen, werkzaam bij Belastingdienst Oost). Geschreven op persoonlijke titel

    Meer informatie Volledige uitspraak van de Rechtbank van Haarlem

  • Administrator

    Of registreer je om te kunnen reageren.