Home

Achtergrond 298 x bekeken

Geen waardedruk wegens duurzame zelfbewoning voor de successiewet

In tegenstelling tot de inkomstenbelasting mag voor de berekening van het verschuldigde successierecht geen rekening gehouden worden met een waardedrukkende factor wegens duurzame zelfbewoning. Dit heeft de Hoge Raad beslist. Dit verschil in behandeling tussen de inkomstenbelasting en het successierecht is vreemd. Het gaat immers om dezelfde feiten.

Indien een bedrijfswoning wordt overgebracht van het onderneming- naar het privé-vermogen door bijvoorbeeld verkoop of staking van de onderneming komt de stille reserve die in de woning schuilt vrij. Over het verschil tussen de fiscale boekwaarde en de vrije waarde in het economisch verkeer is belasting verschuldigd.

Wordt echter de woning aangehouden om er duurzaam in te blijven wonen dan wordt er een correctie op de vrije waarde in het economisch verkeer gemaakt. Op deze vrije waarde in het economisch verkeer mag de zogenaamde factor wegens duurzame zelfbewoning in mindering worden gebracht.

In de praktijk wordt deze waardedrukkende factor – afhankelijk van de leeftijd van de bewoners – gesteld op een percentage tussen de 25 tot 35 procent van de vrije waarde. Deze procentuele waardedruk volgt uit een besluit van de staatssecretaris van Financiën en levert in de praktijk weinig discussie (meer) op.

Waardedruk wegens duurzame zelfbewoning in de successiewet
De Hoge Raad heeft in haar uispraak als volgt beslist: op het moment van de verkrijging door belanghebbende in 2002 bevatte de Successiewet 1956 geen specifiek waarderingsvoorschrift voor de eigen woning. De waarde van de eigen woning moet derhalve worden bepaald op basis van het algemene voorschrift van art. 21, lid 1, dat bepaalt dat het verkregene in aanmerking wordt genomen naar de waarde in het economische verkeer ten tijde van de verkrijging.

Onder de waarde in het economische verkeer van een woning moet in dit verband, aldus de Hoge Raad, worden verstaan de prijs die bij aanbieding van de zaak ten verkoop op de meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde daarvoor zou zijn besteed.

Indien op het tijdstip van verkrijging met betrekking tot een woning geen sprake is van een gebruiksrecht dat werking zou hebben tegen gegadigden voor die woning, dient onder aanbieding op de meest geschikte wijze te worden verstaan: aanbieding tot (op)levering in ontruimde staat. Gelet op dit een en ander heeft het hof bij de waardebepaling van de verkrijging ten onrechte rekening gehouden met het feit dat de echtgenote van erflater de woning is blijven bewonen. Het beroep van de staatssecretaris is gegrond. Geen waardedruk dus!

De discussie over de waardedruk wegens duurzame zelfbewoning in de successiewet is hiermee ook voor de jaren tot en met 2005 beëindigd. Vanaf 2006 was de discussie reeds beëindigd. In het dwingende waarderingsvoorschrift van artikel 21, lid 11 SW 1956 is immers vanaf 2006 bepaald dat er geen rekening mag worden gehouden met een waardedrukkende factor wegens duurzame zelfbewoning.

Mr. P.L.F. Seegers (voorzitter Platform landbouwnormen, werkzaam bij Belastingdienst Oost). Geschreven op persoonlijke titel.

Meer informatie Volledige uitspraak van de Hoge Raad

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.