Home

Achtergrond 168 x bekeken

Splitsing voorbelasting BTW

De BTW die als voorbelasting drukt op de aanschaf van bedrijfsmiddelen kan slechts in aftrek worden gebracht door de ondernemer als het bedrijfsmiddel wordt gebruikt voor met BTW belaste activiteiten. Daarom is er voor landbouwers die onder de landbouwregeling vallen geen aftrek van voorbelasting mogelijk. Wordt het bedrijfsmiddel echter gemengd gebruikt dan kan aftrek van de voorbelasting plaatsvinden op basis van werkelijk gebruik. Dat heeft het Gerechtshof van Den Bosch bepaald.

Er moet hier bijvoorbeeld gedacht worden aan een pand dat zowel voor een camping (BTW-belast) als voor een agrarisch bedrijf (niet BTW-belast) wordt gebruikt. De uitspraak van het Hof ging over de splitsing van voorbelasting bij gemengd gebruikte goederen. In deze uitspraak worden de spelregels rondom gemengd gebruikte goederen helder uiteengezet. Het betreft een zaak omtrent een verhuurd complex maar de uitspraak geldt als richtlijn ook in overige gemengd gebruik situaties.

Kern van de uitspraak is dat in casu de splitsing van voorbelasting bij de exploitatie van vastgoed op basis van werkelijk gebruik plaats dient te vinden. De uitspraak van het Hof is illustratief voor de uitwerking van de spelregels rondom gemengd gebruikte goederen. Als een ondernemer deels vrijgestelde prestaties verricht, kan de ondernemer in beginsel een deel van de voorbelasting niet in aftrek brengen. De mate waarin recht op aftrek van voorbelasting bestaat wordt doorgaans bepaald aan de hand van de omzetverhouding (de zogenaamde pro ratamethode).

Hiervan wordt echter afgeweken als splitsing op basis van werkelijk gebruik (bijvoorbeeld aan de hand van m2 of m3) een zuiverder uitkomst geeft. Uitgangspunt bij de toepassing van werkelijk gebruik is dat de bewijslast ligt bij diegene - ondernemer of inspecteur - die de splitsing naar werkelijk gebruik wil toepassen.

Volgens het ministeriële besluit ‘Toelichting aftrek voorbelasting’ uit 1968 vindt een splitsing naar het werkelijke gebruik alleen plaats als het gebruik als geheel genomen niet overeenkomt met de omzetverhouding. Als de ondernemer de voorbelasting splitst naar de omzet zal de inspecteur daarvan alleen afwijken als de splitsing naar het werkelijke gebruik als geheel genomen leidt tot een aftrek die ten minste 10 procent lager is. Met name dit laatste aspect, de zogenaamde 10 procent- norm, kwam aan de orde in de procedure voor het Hof.

In casu bezat een Duitse vastgoedexploitant (hierna: de GmbH) circa 40 onroerende zaken in Nederland. In 1998 werd aan de GmbH een nieuw bedrijfs- en winkelcomplex opgeleverd. De GmbH had alle voorbelasting van de bouw van het complex in aftrek gebracht. In 1998 werd het complex deels belast en deels onbelast verhuurd.

Door de vrijgestelde verhuur ontstond er op het moment van ingebruikname van het pand een zogenoemde integratielevering (artikel 3.1.h). Daardoor wordt de aanvankelijk door de GmbH volledig in aftrek gebrachte voorbelasting gecorrigeerd voor het gedeelte dat ziet op het vrijgestelde gebruik. Bij een splitsing op basis van de vierkante meters zou ongeveer 34 procent van de voorbelasting niet aftrekbaar zijn.

Bij de toepassing van de omzetverhouding zou 31 procent van de voorbelasting niet aftrekbaar zijn. De GmbH stelde zich op het standpunt dat de verschuldigde omzetbelasting mocht worden berekend op 31 procent keer 17,5 procent vermenigvuldigd met de bouwkosten van het complex. Dit leidde tot een verschuldigd bedrag van 1.173.216 euro.

De inspecteur berekende de verschuldigde omzetbelasting op basis van het werkelijke gebruik, hetgeen leidde tot een verschuldigd bedrag van 1.248.908 euro. De GmbH was het niet met de inspecteur eens. Zij beriep zich op het ministeriële besluit en stelde dat de inspecteur alleen van de omzetverhouding mocht afwijken als de splitsing naar werkelijk gebruik als geheel genomen tot een aftrek leidt die ten minste 10 procent lager is.

Het hof oordeelde dat de GmbH een onjuiste opvatting had over de werking en de samenhang van de wettelijke bepalingen en de bepalingen uit het ministeriële besluit uit 1968. Het hof vond dat de zinsnede uit het besluit ‘indien splitsing naar werkelijk gebruik, als geheel genomen” redelijkerwijs niet kan worden opgevat dat de 10 procent- norm ook geldt bij één onroerend goed. Het hof bepaalde dat de inspecteur de aftrek van voorbelasting voor het onderhavige complex mocht berekenen op basis van het werkelijke gebruik.

mr. P.L.F. Seegers. Voorzitter platform landbouwnormen. Geschreven op persoonlijke titel.

Meer informatie Volledige uitspraak van het Gerechtshof van Den Bosch

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.