Home

Achtergrond 109 x bekeken

Monumentvrijstelling overdrachtsbelasting ook voor verkrijging van aandelen

De Hoge Raad heeft beslist dat de ‘monumentvrijstelling’ van artikel 15, eerste lid letter p in de overdrachtsbelasting ook van toepassing kan zijn op de verkrijging van alle aandelen in een ‘monumentenvennootschap’. Deze 'monumentenvennootschap' moet dan een zogeheten onroerendezaaklichaam zijn en eigenaresse zijn van een monument in de zin van de Monumentenwet.

Strikt volgens de wettekst zou de vrijstelling alleen van toepassing kunnen zijn op de rechtstreekse verkrijging van een dergelijk monument en niet op een verkrijging van het monument via een tussengeschoven onroerendezaaklichaam. De Hoge Raad heeft echter in haar beslissing aangegeven dat een strikte toepassing van de wet precies tot het tegenovergestelde resultaat zou leiden van wat is bedoeld.

Er zou juist een belastingplicht worden geschapen in een situatie waarvoor een vrijstelling is bedoeld. De achtergrond van de monumentvrijstelling is namelijk om de verkrijging van monumenten door kwalificerende rechtspersonen te faciliëren vanwege het belang van de instandhouding van monumenten. Met deze beslissing heeft de Hoge Raad de reikwijdte van de vrijstelling opgerekt.

De Wet belastingen van rechtsverkeer bevat in artikel 15, eerste lid letter p onder meer een wetsbepaling die de verkrijging van een monument voor de heffing van overdrachtsbelasting onder voorwaarden vrijstelt. Het moet daarbij gaan om een monument dat is ingeschreven in het monumentenregister in de zin van de Monumentenwet en dat wordt verkregen door een in Nederland gevestigde rechtspersoon die naar het oordeel van de Minister van Financiën hoofdzakelijk (ten minste 70%) de instandhouding van dergelijke monumenten ten doel heeft.

De Wet bevat voorts een wetsbepaling die voor de heffing van overdrachtsbelasting de verkrijging van aandelen in een zogeheten onroerendezaaklichaam aanmerkt als een verkrijging van een onroerende zaak zelf. De Hoge Raad heeft onlangs uitspraak gedaan bij de samenloop van beide wetsbepaling.

De casus betrof een BV die bij ministeriële beschikking kwalificeerde als een ‘monumentenvennootschap’ in de zin van de Monumentenwet. In 1998 verkreeg de BV alle aandelen in een onroerendezaaklichaam die eigenaresse was van een monument in de zin van de Monumentenwet. De BV deed bij de verkrijging van de aandelen een beroep op de vrijstelling voor monumenten.

De inspecteur en Hof Den Haag weigerde de vrijstelling omdat volgens de duidelijk luidende wettekst alleen een rechtstreekse verkrijging van een monument zou kwalificeren voor de faciliteit. Er zou geen ruimte bestaan om de wettekst een ruimere strekking toe te kennen.

De Hoge Raad verleende de vrijstelling echter wel. Een strikte toepassing van de wet zou precies tot het tegenovergestelde resultaat leiden van wat is bedoeld. Het zou juist immers tot belastingplicht leiden in een situatie waarvoor een belastingvrijstelling bestaat. De achtergrond van de monumentvrijstelling is namelijk om de verkrijging van monumenten door kwalificerende rechtspersonen te faciliëren vanwege het belang van de instandhouding van monumenten.

Mr. P.L.F. (Pieter) Seegers (voorzitter Platform landbouwnormen, werkzaam bij Belastingdienst Oost). Geschreven op persoonlijke titel.

Meer informatie Volledige uitspraak van de Hoge Raad

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.