Home

Achtergrond 223 x bekeken

Afgesproken winstverdeling bepaalt opbrengst voor nihil ingebracht melkquotum

Ook al gaat de hele winst van de verkoop van het melkquotum naar de zoon, dan nog moet de vader belasting betalen als hij nog voor een gedeelte in de maatschap zit. Dat heeft de Rechtbank van Arnhem bepaald.

Een boer had in 1990 een landbouwbedrijf in een maatschap met zijn zoon ingebracht. Er was toen wel een regeling getroffen voor de stille reserves van het vastgoed en de roerende goederen, maar niet voor het melkquotum dat voor nihil was ingebracht. Ter zake van de inbreng was artikel 17 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 van toepassing.

In eerste instantie was de jaarwinstdeling 50 procent voor ieder van de vennoten. Vanaf 1997 kreeg vader echter 25 procent van de winst en zoon 75 procent. Het melkquotum verkochten ze in 2000 en de opbrengst daarvan ging geheel naar de zoon. De inspecteur van de belastingdienst belaste echter 25 procent van de winst bij de vader.

Na bezwaar te hebben gemaakt bij de belastingdienst verlaagde de inspecteur het bedrag naar 25 procent van het aankoopbedrag van het melkquotum in 1990 (verminderd met de stakingsvrijstelling). De boer vond echter dat hij helemaal geen belasting hoeft te betalen en ging in beroep bij de rechtbank van Arnhem.

Vader en zoon zijn inmiddels overleden, maar de erven van de agrariërs stellen zich op het standpunt dat het melkquotum bij het aangaan van de maatschap geheel was overgegaan naar de zoon. De inspecteur van de belastingdienst stelt echter dat de boer er aanvankelijk voor had gekozen de stille reserves die aanwezig waren binnen het ondernemingsvermogen voor te behouden. Voor het melkquotum was echter geen stille reserve berekend. Het melkquotum zou volgens de inspecteur evenredig aan de winstdeling geruisloos worden doorgeschoven naar de zoon.

Volgens de Rechtbank is er geen bijzondere bepaling voor het melkquotum in de maatschapsakte opgenomen. Ook niet nadat in 1990 bekend werd dat op het melkquotum een aanzienlijk stille reserve rustte. Dat vader en zoon in 2000 een andere verdeling van de winst zijn aangegaan kan evenmin tot een ander oordeel leiden. Dit geldt ook voor eventueel civielrechtelijke procedures die hierdoor tussen de erven van de vader en de erven van de zoon zijn ontstaan. In het jaar van de verkoop behoort derhalve nog 25 procent van het melkquotum aan de vader en dus moet daar belasting over worden betaald.

Meer informatie Volledige uitspraak van de Rechtbank van Breda

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.