Home

Achtergrond 171 x bekeken

Vordering na verkoop grond is verplicht ondernemingsvermogen

Een veehouder verkoopt zijn grond met opstallen aan een gemeente in 1998. Op 23 oktober 1998 levert hij het economisch eigendom aan de gemeente, maar hij houdt het gebruikersrecht voor de duur van 73 maanden. De koper moest f5,6 miljoen direct betalen en f1,4 miljoen bij leeg en ontruimd opleveren. De veehouder en de inspecteur van de belastingen zijn het oneens over de waarde van het gebruiksrecht en over de vraag of de vordering van belanghebbende op de gemeente van f1,4 miljoen tot het ondernemingsvermogen behoort.

Het gerechtshof van Arnhem deed uitspraak op 26 september 2007. Het stelt de inspecteur (van de belastingen) in het gelijk over de waarde van het gebruiksrecht en dat de vordering bij het ondernemingsvermogen behoort (de grond en de opstallen behoorden dat ook).

Het gebruiksrecht van de grond van verkoop tot oplevering is in een accountantsrapport vastgesteld op €99.484, zijnde de contante waarde van de pachttermijnen over deze 73 maanden die nominaal dan samen €94.000 bedragen. De uitgestelde betaling van €1.400.000 heeft in 1998 een contante waarde €1.098.058. De aangroei van de laatste contante waarde tot de uiteindelijk betaalde som wilde de veehouder bij de waarde van het gebruiksrecht optellen. Het hof handhaaft de waarde van €99.484, omdat de gemeente eventueel €94.000 extra had willen betalen als de veehouder geen gebruiksrecht zonder betaling daarvoor had bedwongen. De aangroei van de waarde van de vordering behoort nu in elk jaar tot de winst van de onderneming en dus niet tot de onbelaste opbrengst uit de verkoop van grond volgens de landbouwregeling.

De veehouder meende dat de vordering van nominaal €1.4 miljoen op de gemeente in verband met de verkoop van de grond tot zijn privévermogen behoorde, aangezien de verkoop van de grond niet overeenkomstig het doel van de onderneming is, het beloop en de grootte van de vordering niet onzeker zijn en de afwikkeling van de vordering niet afhankelijk is van uit de ondernemingssfeer stammende onzekerheden. Maar het hof vindt samen met de inspecteur dat de vordering voortvloeit uit de verkoop van een bedrijfsmiddel in plaats van verkoop van (een deel van) een onderneming. De onderneming gaat elders verder. De vordering rekent het hof nu tot het verplichte ondernemersvermogen.

Meer informatie Uitspraak Hof Arnhem, 26 september 2007

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.