Home

Achtergrond 429 x bekeken

Masterplan Phytophthora - Stand van zaken

Het Masterplan Phytophthora is een samenwerkingsproject onder leiding van LTO-Nederland. In dit plan worden alle acties gebundeld die landbouwbedrijfsleven, onderzoek, voorlichting en overheid de komende drie jaar nemen om de Phytophthora problematiek aan te pakken.
De schimmelziekte Phytophthora infestans wordt steeds moeilijker te bestrijden. Het fungicidengebruik stijgt daarom in plaats van dat een vermindering optreedt zoals is afgesproken in de Bestuursovereenkomst Uitvoering Meerjarenplan Gewasbescherming.
De oorzaak van deze toename moet worden gezocht in verschillende richtingen, hetgeen ook betekent dat de oplossing niet vanuit één kant kan worden aangedragen. De verschillende partijen betrokken bij de teelt van aardappelen en de bestrijding van de ziekte hebben hiertoe gezamenlijk een plan van aanpak opgesteld: het Masterplan Phytophthora. Dit plan is 14 januari goedgekeurd door de vakgroep akkerbouw van LTO-Nederland. De financiering van dit plan wordt voor een belangrijk deel opgebracht door de akkerbouwsector zelf. In drie jaar tijd dragen de aardappeltelers maximaal 5 miljoen gulden bij, ofwel een tientje per ha aardappelen per jaar. Ook andere belangrijke partijen in de aardappelketen hebben al een financiële bijdrage toegezegd of stoppen inzet of kennis in de brede aanpak van de ziekte. Tevens wordt een bijdrage verzocht van de overheid.

Doel


De centrale doelstelling is de continuïteit van de aardappelteelt met een verminderde milieubelasting. Als resultaat moet de milieubelasting in 2001 met 35% en in 2005 met 50% zijn beperkt. Deze vermindering moet onder andere worden gerealiseerd door een afname in gebruik van fungiciden.

Acties


Een aantal belangrijke acties uit het masterplan, die al gestart zijn of binnenkort starten, zijn:
Aanpak van afvalhopen en andere infectiebronnen door de sector zelf. Zowel binnen als buiten de primaire sector is men verplicht afvalhopen af te dekken. Om de aanpak van afvalhopen actief te stimuleren is een nieuw meld- en controlesysteem operationeel vanaf april 1999. De bestaande waarschuwings- en adviessystemen worden geëvalueerd en waar nodig verbeterd.
De (chemische) bestrijdingsstrategie wordt geoptimaliseerd. Voor het veenkoloniale gebied wordt een specifieke aanpak opgesteld. Het onderzoek richt zich vooral op de rol van oösporen in het infectieproces. Daarnaast wordt de invloed van de teelt van vroege aardappels onder plastic in relatie met Phytophthora onder de loep genomen.

Acties op de langere termijn:


De beschikbaarheid van huidige en toekomstige Phytophthora-middelen wordt nauwlettend gevolgd.
De onderzoeksprocedure voor de bepaling van resistentiecijfers van aardappelrassen wordt aangepast. Zo wordt ingespeeld op de toename van de agressiviteit van de schimmel. Ook belangrijke huidige rassen zullen volgens de nieuwe procedure worden beoordeeld.
Via ketenafspraken wordt de teelt van resistente rassen bevorderd.

Communicatie


Een belangrijk onderdeel van het masterplan is communicatie. Resultaten uit de genoemde activiteiten en reeds ontwikkelde kennis die de praktijk nog onvoldoende heeft bereikt, worden naar de telers verspreid via onder andere: Phytophthora Uitgelicht, een studiegroepprogramma Phytophthora open dagen, workshops en inleidingen een vaste pagina over Phytophthora in vakbladen een campagne gericht op het aanpakken van initiële infectiebronnen (zoals afvalhopen) in vakbladen, bladen van regionale standsorganisaties en regionale kranten.
Ter ondersteuning van met name de externe communicatie zal een doelgroepanalyse worden uitgevoerd. Hierbij wordt de doelgroep aardappeltelers in kaart gebracht waarbij inzicht wordt verkregen in aspecten die een rol spelen bij het al dan niet nemen van bepaalde maatregelen. Hierdoor krijgt men een duidelijk beeld van aspecten waarop aardappeltelers zijn aan te spreken.


Dit is het logo van het Masterplan Phytophthora. De komende twee tot drie seizoenen zal dit logo het beeld vormen van het sectorbrede plan om de aardappelziekte onder de knie te krijgen.

Aanpak afvalhopen voorop bij bestrijding Phytophthora (nr. 1998-1)


Het zorgvuldig omspringen en afdekken van afvalhopen staat voorop bij de bestrijding van de ziekte Phytophthora in de aardappelteelt. Streng toezicht van de AID is nodig, omdat sommige telers slordig blijven omspringen met afvalhopen op hun bedrijf. ‘Ze realiseren zich schijnbaar nauwelijks dat achteloosheid gigantische gevolgen kan hebben voor de hele bedrijfstak’, zegt de heer A. Maarsingh, voorzitter van de vakgroep LTO Akkerbouw.

Symposium Phytophthora


Maarsingh roept akkerbouwers op tot sociale controle, omdat de ernst van de ziekte zich op geen enkele wijze laat rijmen met de risico’s, die goed beheersbaar zijn. Hij deed zijn oproep tijdens een symposium over preventieve maatregelen tegen en bestrijding van Phytophthora. Het symposium werd bezocht door ongeveer honderd belangstellenden uit onderzoek, voorlichting, (overheids)beleid en boerenpraktijk. Het symposium werd georganiseerd door de Kerngroep MJP-G samen met LTO Nederland. Het doel was gezamenlijk te komen tot een inventarisatie van de belangrijkste knelpunten en het opstellen van een lijst met mogelijke actiepunten om de knelpunten aan te pakken. Deze lijst dient als aanzet voor het Plan van Aanpak Phytophthora van de sectorgroep Akkerbouw MJP-G.

Knelpunten


Phytophthora vormt op dit moment het grootste probleem in de aardappelteelt. Vorig jaar sloeg de ziekte op grote schaal toe, nadat regenachtige periodes werden afgewisseld met warm weer. Er moest toen flink worden gespoten om de schimmelziekte onder controle te houden. Als de gewassen toen niet afdoende waren beschermd, was een groot deel van de aardappeloogst verloren gegaan.
Als belangrijkste knelpunt signaleerden de aanwezigen de infectiebronnen, zoals afvalhopen, opslagplanten, besmet pootgoed. Een nieuwe infectiebron vormen de oösporen. Deze rustvorm van de schimmel die ontstaat door geslachtelijke voortplanting kan enkele jaren in de bodem overblijven. Deze oösporen kunnen vooralsnog niet bestreden worden. Een ander probleem vormt het feit dat de ziekte steeds agressiever wordt.

De bestrijding van de schimmelziekte vraagt ook om een aanpak op langere termijn, zo concludeerde dr. ir. Woittiez, plaatsvervangend directeur van de Plantenziektenkundige Dienst, die het symposium leidde. Zo zullen duurzame resistente aardappelrassen ontwikkeld moeten worden en is meer onderzoek nodig naar de agressiviteit van de schimmel. Ook zullen waarschuwings- en adviessystemen veel breder toegepast moeten worden.

Eenduidige advisering


Boeren vragen in de praktijk voorts om een eenduidig advies over verlaging van de dosering door voorlichting en handel; het gaat er immers om dat de boer met zo weinig mogelijk bestrijdingsmiddelen de ziekte zo effectief mogelijk kan bestrijden. Het nu nog beschikbare middelenpakket is alleen te behouden door emissie beperkende maatregelen, die zoden aan de dijk zetten.

Oorzaken van verschillen in middelenverbruik tussen bedrijven (nr. 1996-4)


LEI-DLO onderzoek onder telers van tulpen en van aardappelen

Het fungicidenverbruik in Nederland loopt minder snel terug, dan in de Bestuursovereenkomst Uitvoering Meerjarenplan Gewasbescherming is afgesproken. Uit onderzoek blijkt dat een vermindering conform de afspraken technisch goed haalbaar is. Dus moeten er andere redenen zijn waarom de reductie in de praktijk niet wordt gerealiseerd. Om die redenen te achterhalen heeft het Landbouw-Economisch instituut (LEI-DLO) onderzocht waarom in de praktijk verschillen bestaan tussen telers in hun fungicidenverbruik. Voor de bestrijding van vuur in tulpen en de bestrijding van Phytophthora in aardappelen is dat onderzoek inmiddels afgerond. Een onderzoek naar de bestrijding van schurft in appel staat op stapel.
De onderzoekers hebben in het seizoen 1994 enquêtes uitgevoerd onder tulpenkwekers en aardappeltelers om gegevens te verzamelen over het fungicidengebruik, het aantastingsniveau, preventieve maatregelen, de bedrijfsomstandigheden en het kennisniveau van de ondernemer. Hieronder volgen de belangrijkste conclusies van de onderzoekers.

Vuurbestrijding in tulpen


Uit het onderzoek onder tulpenkwekers blijkt dat de verschillen in fungicidenverbruik bij vuurbestrijding groot zijn. Binnen de enquête loopt het actieve stofverbruik uiteen van 2 kg/ha tot 37 kg/ha.

De verschillen in verbruik worden voor circa 55% verklaard door de middelenkeuze. De middelenkeuze heeft zo'n grote invloed, omdat de voorgeschreven dosering varieert van 2,5 kg/ha bij het ene middel tot 0,4 kg/ha bij het andere middel. Daarnaast is er variatie in het aantal middelen per bespuiting; middelen worden soms gemengd. De middelenkeuze blijkt sterk afhankelijk te zijn van het teeltgebied. Zo worden in het zavelkleigebied basismiddelen gemengd terwijl dat in het duinzandgebied niet gebeurt. Een andere oorzaak (33%) voor de verschillen in actieve stofverbruik is het aantal bespuitingen in een seizoen. In de enquête loopt het aantal bespuitingen uiteen van 7 tot 16. Het aantal bespuitingen wordt bepaald door de meest vuurgevoelige cultivar in de kraam. Er wordt vaker gespoten naarmate een meer gevoelige cultivar in de kraam zit. Afwijkingen van de voorgeschreven dosering blijken nauwelijks bij te dragen aan het verschil in verbruik. Uit de enquête blijkt dat de toegepaste doseringen zelden meer dan een kwart afwijken van de voorgeschreven doseringen.

Als oplossing om het fungicidenverbruik te verminderen worden in het MJP-G resistente cultivars genoemd. Het ontwikkelen van resistente cultivars is echter alleen zinvol als deze de meest gevoelige cultivars in de kraam kunnen vervangen. Verlaging van de gemiddelde vuurgevoeligheid van de hele tulpenkraam leidt niet tot verlaging van het middelenverbruik, omdat uit het onderzoek blijkt dat de bestrijding wordt afgestemd op de meest gevoelige cultivar.

Binnen de tulpenteelt kunnen twee bedrijfssystemen worden onderscheiden met grote verschillen in inschatting van vuurrisico, kennisbehoefte en fungicidenverbruik. In het ene systeem (duinzandgebied) wordt het ondernemersgedrag bepaald door het milieu-imago en in het andere systeem (zavelkleigebied) door het vuurrisico. Door deze verschillen vereisen de beide gebieden ieder een specifieke aanpak vanuit beleid, onderzoek en voorlichting.

Bestrijding van Phytophthora in aardappelen


Uit het aardappelonderzoek komt, net als in het tulpenonderzoek, naar voren dat tussen telers grote verschillen bestaan in gebruik van fungiciden om Phytophthora infestans te bestrijden. Bij zowel pootgoed als consumptietelers varieert het gebruik op rasniveau tussen 1 en 21 kg werkzame stof per hectare. Gemiddeld gebruikten de pootgoed- en consumptietelers in 1994 evenveel fungicide (ong. 10 kg/ha).

Het verschil in gebruik hangt voor 60 tot 70% af van de middelenkeuze en toegepaste dosering (kg/ha) per bespuiting. De variatie wordt veroorzaakt door verschillen in de aanbevolen dosering tussen de middelen en doordat telers afwijken van de voorgeschreven dosering. Consumptietelers gebruiken vaker middelen met een lage standaarddosering dan pootgoedtelers.

Voor 30 tot 40% hangt het verschil in verbruik samen met het aantal bespuitingen. Het aantal bespuitingen wordt vooral bepaald door de lengte van het spuitseizoen. Daarnaast speelt in mindere mate het verschil in het interval tussen twee bespuitingen mee. Die verschillen in het aantal bespuitingen ontstaan aan het eind van het seizoen en worden veroorzaakt door ras- en teeltverschillen. Pootgoedtelers spoten gemiddeld 9 keer tegen consumptietelers gemiddeld 14 keer.

Telers maken onderscheid tussen gevoelige en minder gevoelige rassen. Uit het onderzoek blijkt dat in de praktijk het gebruik van resistente rassen nog niet leidt tot een grote reductie in het verbruik. Bij de bestrijding van Phytophthora wordt gekeken naar het meest gevoelige ras. Zolang gevoelige rassen een groot areaalaandeel houden, zal het positieve effect van het gebruik van resistente rassen beperkt zijn.

Ondernemers schatten het risico van Phytophthora hoog in en zijn nauwelijks bereid om het aantal bespuitingen structureel te verlagen. Slechts 20% van de telers ziet mogelijkheden voor verdere reductie van het fungicidenverbruik. De helft van deze groep geeft aan dit te willen bereiken door verlaging van de dosering. Verlagen van de dosering is mogelijk en biedt volgens de onderzoekers betere perspectieven voor verbruiksreductie dan aanpassingen in het spuitschema. De onderzoekers geven daarom aan dat onderzoek en voorlichting hier hun aandacht op moeten richten.

Telers zijn zich bewust van de milieubelasting die middelen kunnen veroorzaken. Bescherming van het gewas tegen aantasting van Phytophthora heeft echter de hoogste prioriteit en binnen die randvoorwaarde zijn de telers bereid rekening te houden met het milieu.

Of registreer je om te kunnen reageren.