Home

Achtergrond 202 x bekeken

Wijzigingen in de bedrijfsopvolgingsregeling voor echtparen

De ondernemer kan met het nieuwe besluit voor bedrijfsopvolging in de Successiewet nu in aanmerking komen voor de bedrijfsopvolgingsfaciliteit als zijn partner overlijdt.

Dit artikel maakt deel uit van een serie over het besluit van 10 oktober 2007 over de bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet (Besluit, 7 oktober 2007, nr. CPP2007/383M, gepubliceerd in de Staatscourant nummer 202). Naast een heleboel andere zaken kent het besluit begunstigend beleid voor het geval de ondernemer erft van zijn overleden huwelijkspartner.

Status als ondernemer
Voor tal van fiscale faciliteiten is het een vereiste dat iemand de fiscale status van ondernemer heeft. De echtgenoot of echtgenote van een ondernemer is niet automatisch zelf ook ondernemer, ook niet als zij in gemeenschap van goederen met elkaar getrouwd waren. Daar is meer voor nodig.

Als de niet-ondernemende echtgenoot overlijdt en het echtpaar was in gemeenschap van goederen gehuwd, dan vererft door het overlijden van deze echtgenoot de (onverdeelde helft van de) onderneming. In dat geval is er een probleem, omdat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit niet van toepassing is. Daarvoor is het immers een vereiste dat de erfgenaam verkrijgt van een ondernemer. Voor deze situatie bevat dit besluit een tegemoetkoming.

TIP: Deze tegemoetkoming is niet nodig als beide partners zelfstandig ondernemer zijn (bijvoorbeeld door een M/V-firma) of als de onderneming op grond van huwelijkse voorwaarden enkel eigendom is van de ondernemer zelf.

Overleden echtgenoot was geen ondernemer
Twee personen zijn in gemeenschap van goederen getrouwd. Zij hebben twee kinderen. A drijft een eenmanszaak. Zijn echtgenote B overlijdt zonder testament. De onderneming behoort tot de huwelijksgoederengemeenschap. Tot de nalatenschap van B behoort daarom de onverdeelde helft van de onderneming. A erft de onderneming van zijn echtgenote, de kinderen krijgen slechts een (niet opeisbare) vordering op hun vader. Op de verkrijging van A en zijn kinderen was de bedrijfsopvolgingsfaciliteit niet van toepassing. B was immers geen ondernemer.

Met toepassing van de hardheidsclausule keurt het ministerie van Financiën nu goed dat de verkrijging van B nu kan met toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling. Hierbij horen ook eisen, A moet bijvoorbeeld de onderneming ten minste 5 jaar voortzetten. Ook voor de kinderen bestaat nu een faciliteit: de belasting (successierecht) die zij verschuldigd zijn over de door hen verkregen vordering, valt onder de uitstelregeling van artikel 25, dertiende lid, Invorderingswet 1990.

Overlijden echtgenoot van de deelnemer in een personenvennootschap
Indien twee personen met elkaar in gemeenschap van goederen zijn getrouwd en de niet-ondernemende partner zonder testament overlijdt, dan valt (de onverdeelde helft van) het aandeel in maatschap of firma in de nalatenschap. Dit aandeel is verknocht aan de ondernemende partner, met als gevolg dat hij het mag ‘hebben’ maar de waarde moet vergoeden. Tot de nalatenschap van B behoort daarom een vordering op A ter grootte van de helft van de waarde van het ondernemingsvermogen van A. Zoals wel vaker wordt deze vordering van de overleden partner toebedeeld aan de langstlevende (voortzettende) partner. Ook hier krijgen de kinderen slechts een vordering op de voortzetter. Ook hier keurt het ministerie met toepassing van de hardheidsclausule de bedrijfsopvolgingsregeling en de uitstelregeling van artikel 25, dertiende lid, Invorderingswet 1990 nu goed.

Finaal verrekenbeding
Een derde geval, dat veel weg heeft van de hiervoor geschetste gevallen, betreft de situatie dat partijen buiten gemeenschap van goederen zijn getrouwd, maar dat zij wel bij huwelijkse voorwaarden een finaal verrekenbeding zijn overeengekomen. Hierdoor wordt bij overlijden van een van de echtgenoten ’afgerekend’ alsof zij in wettelijke gemeenschap van goederen waren gehuwd. Geen gemeenschap van goederen dus, maar in geval van overlijden wel iets dat daar veel op lijkt.

De ondernemende partner overlijdt
Deze persoon was bij leven enig aandeelhouder in een bv. Als gevolg van dit overlijden wordt de waarde van de aandelen verrekend, waardoor tot de nalatenschap van de overledene een vordering behoort ter grootte van de helft van de waarde van de aandelen. Op grond van het wettelijk erfrecht vererft deze vordering naar de langstlevende echtgenoot. De kinderen verkrijgen een vordering op de langstlevende. De bedrijfsopvolgingsregeling is naar de letter niet van toepassing, omdat de langstlevende in dit geval geen ondernemingsvermogen maar slechts een vordering verkrijgt. Ook hier wordt met toepassing van de hardheidsclausule de bedrijfsopvolgingsregeling en de uitstelregeling van artikel 25, dertiende lid, Invorderingswet 1990 nu goedgekeurd dat de langstlevende de onderneming met de faciliteit kan voortzetten. Uitdrukkelijk is hieraan toegevoegd dat deze regeling ook geldt als het niet gaat om aandelen in een bv, maar ook als de overledene bij zijn overlijden een persoonlijke onderneming nalaat.

Conclusie
De bedrijfsopvolgingsfaciliteit uit de Successiewet is met dit besluit feitelijk van overeenkomstige toepassing verklaard op verkrijgingen van de overleden echtgenoot van een ondernemer door deze ondernemer, als de overledene en de langstlevende echtgenoot met elkaar in gemeenschap van goederen gehuwd waren. Belangrijk is verder dat deze verruimingen enkel lijken te slaan op verkrijgingen door de echtgenoot en niet op verkrijgingen door anderen, bijvoorbeeld de kinderen.

S.F.J.J. Schenk, directeur adviesgroep Fiscale Zaken van de Gibo Groep

Lees ook Zoekresultaten op Agrocount.nl met trefwoord ‘bedrijfsopvolging’

Lees ook Studiemiddag van Agrocount.nl ‘Bedrijfsopvolging in de agrarische sector’

Meer informatie Besluit 10-10-2007, nr. CPP07-383, Successiewet 1956. Bedrijfsopvolgingsregeling

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.