Home

Achtergrond 291 x bekeken

Procedure over fiscale uitwerking pachtconstructie

Op dit moment loopt er een bijzonder interessante procedure bij de Hoge Raad over de fiscale uitwerking van een pachtconstructie. Afhankelijk van de uitkomst van de procedure wordt het aangaan van een pachtconstructie in soortgelijke gevallen veel minder aantrekkelijk dan tot op heden vaak gedacht. Het betreft in casu een pachtconstructie waar een bedrijfsopvolging in het vooruitschiet ligt.

Bij een pachtconstructie wordt aan de ene kant gebruik gemaakt van de landbouwvrijstelling en aan de andere kant wordt er een afschrijfbaar pachtrecht gecreëerd. Er wordt als het ware “op grond afgeschreven”. In de lopende procedure (HR nr. 42.935) is het de vraag of de afschrijving op het pachtrecht volledig aftrekbaar is of niet. Volgens het Hof mocht slechts 11/30-ste deel van de afschrijving ten laste van de winst gebracht worden. Indien de Hoge Raad de redenatie van het Hof volgt, wordt het aangaan van een pachtconstructie in soortgelijke gevallen veel minder aantrekkelijk.

In de voorgelegde casus handelde het om de volgende situatie:

Vader drijft een melkveehouderij in maatschapsverband. De medevennoten zijn, zijn echtgenote (samen 'de ouders'), zijn zoon en diens echtgenote ('de kinderen'). De ouders waren eigenaar van een weiland. Het gebruik en genot van dit weiland was ingebracht in de maatschap. Vader is directeur en enig aandeelhouder van een BV. De ouders hebben het weiland verkocht en geleverd aan de BV. De overdracht van het weiland vond plaats onder voorbehoud van een pachtrecht door de ouders voor twaalf jaren, met recht van verlenging voor telkens zes jaren.

Het verschil tussen de waarde in vrij te aanvaarden staat en het bedrag dat door de BV is betaald (f 365.261), werd door de ouders aangemerkt als kostprijs van het door hen verworven pachtrecht. De afschrijvingstermijn van het pachtrecht bedroeg twaalf jaren. Het Hof te Leeuwarden oordeelde dat de afschrijvingsperiode voor het pachtrecht op 30 jaar gesteld moet worden. Aangezien de ouders niet 30 jaar van het pachtrecht gebruik zouden gaan maken, maar slechts elf, waarna de kinderen het bedrijf zouden voortzetten, oordeelde het Hof dat 11/30 deel van het pachtrecht tot het ondernemingsvermogen van de ouders diende te worden gerekend en de resterende 19/30 tot hun privévermogen. Met andere woorden: 19/30 van het pachtrecht komt niet ten laste van de fiscale winst.

Vader is het niet eens met de uitspraak van het Hof en tekent cassatie aan. Inmiddels heeft de Advocaat Generaal mr. J.A.C.A. Overgauw een conclusie genomen. Een conclusie is een advies aan de Hoge Raad die de Hoge Raad al dan niet hoeft te volgen.In de conclusie wordt betoogd dat het oordeel van het Hof over de afschrijvingstermijn feitelijk en niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is. Er dient dus uitgegaan te worden van een afschrijvingsduur van 30 jaar. Echter, het oordeel van het hof dat het pachtrecht naar tijdsgelang gesplitst moet worden in een zakelijk- en een privé-deel is rechtens onjuist.

Etikettering van het pachtrecht moet worden gebaseerd op de aanwending daarvan. Aangezien het pachtrecht wordt aangewend binnen de onderneming vormt het ondernemingsvermogen. Dat belanghebbende mogelijk zijn onderneming over elf jaar zal staken, en het recht alsdan naar het privévermogen moet worden overgebracht brengt niet mee dat nu reeds een splitsing naar tijdsgelang moet worden aangebracht. De conclusie strekt tot gegrondverklaring van de beroepen van belanghebbende. Met andere woorden: de Advocaat-Generaal stelt vader wat dit onderdeel betreft in het gelijk. Het laatste woord is echter aan de Hoge Raad.

Mr. P.L.F. Seegers (voorzitter Platform landbouwnormen, werkzaam bij Belastingdienst Oost). Geschreven op persoonlijke titel.

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.