Home

Achtergrond 449 x bekeken

Ierse aardappelhongersnood

De Ierse aardappelhongersnood of ook wel The Potato Famine, of The great famine (grote hongersnood), is de periode van voedselschaarste die Ierland trof tussen 1845 en 1850. Voor hun voedselvoorziening waren de Ieren grotendeels afhankelijk van de aardappeloogst. Negentig procent daarvan was echter mislukt als gevolg van de aardappelziekte Phytophtora infestans die veroorzaakt werd door monocultuur. Als gevolg van de voedselschaarste stierven meer dan een miljoen Ieren de hongerdood. Miljoenen anderen vluchtten naar Noord-Amerika.

De aardappel was in Ierland sinds 1800 het voornaamste volksvoedsel, met name voor het arme bevolkingsdeel. De oorzaak hiervoor was dat de aardappel op vrijwel elke grondsoort groeide, en veel vitamines en voedingswaarde bevatte. Het waren deels deze eigenschappen die een bevolkingsgroei mogelijk maakten. De Grote Hongersnood begon met een misoogst in 1845 als gevolg van de aardappelziekte. Dit was zeker niet de eerste misoogst, sinds 1816 waren er reeds ruim 10 geweest. In 1846 mislukte de oogst eveneens door de aardappelziekte. In 1847 mislukte de oogst niet door de aardappelziekte, maar waren de opbrengsten minder als gevolg van een droogte die de aardappelziekte stopte. Bovendien brak in 1847 de tyfus uit, een toen nog onbekende ziekte. In 1848 werd er enorm veel moeite gestoken in het verhogen van de oogstopbrengsten. Echter door een natte periode brak opnieuw de aardappelziekte uit. Daarbij kwam nog een cholera-epidemie in december van dit jaar. 1849 was misschien wel het slechtste jaar van de grote hongersnood, de bevolking was gedecimeerd en het land volledig bankroet. Pas in 1850 herstelden de oogsten zich weer hoewel er nog wel lokale uitbraken waren van de aardappelziekte.
Door de hongersnood hadden de reeds arme Ierse boeren niet alleen zelf niet te eten, ook de belasting aan de protestantse Engelse adel kon niet betaald worden. Doordat de oogst ook in andere delen van Europa mislukte, stegen de voedselprijzen. Tijdens de hongersnood bleven de Engelse landeigenaren Ierse boter en vlees naar Engeland exporteren. Ook dit vergrootte de problemen in Ierland.
De adel joeg de niet-betalende boeren van hun land, of verschafte geld voor de overtocht naar de Verenigde Staten. Deze oversteek was vaak nog zwaarder dan die van slaven, vaak bezweek een derde van de emigranten onderweg op de overbevolkte schepen. Waar de bevolking van Ierland in 1840 8 miljoen mensen bedroeg, was deze in het begin van de 20e eeuw rond de 3,5 miljoen door de directe en indirecte gevolgen van de 'Grote Hongersnood'.
Tegenwoordig is op veel plaatsen nog te zien waar men vroeger aardappels verbouwde, bijvoorbeeld aan de voet van bergen. Op de verlaten stukken land zijn bij een lage stand van de zon duidelijk de aardappelrichels (potato ridges) te zien waar men de aardappels op verbouwde om ze te vrijwaren van overtollig water. Voor de Grote Hongersnood werden al deze stukken land bebouwd, tegenwoordig wordt die grond voornamelijk nog gebruikt om schapen op te laten grazen. Het zien van deze richels maakt pijnlijk duidelijk wat de omvang was van de Hongersnood.

Of registreer je om te kunnen reageren.