Home

Achtergrond 80 x bekeken

Omkering van bewijslast niet toegestaan

Op grond van het enkele feit dat een boer niet binnen de aanvankelijk door de inspecteur van Dienst Regelingen gestelde termijn zijn aangifte voor fosfaatheffing heeft ingediend, kan niet worden geconcludeerd dat hij de vereiste aangifte niet heeft gedaan. Dat heeft de rechtbank van Leeuwarden bepaald.

Dit houdt in dat de bewijslast met betrekking tot de omvang van de aanvoer van dierlijke meststoffen op de inspecteur rust. Hij moet aannemelijk maken dat de door hem gestelde hoeveelheden daadwerkelijk op de grond van de boer zijn aangevoerd. Het is niet zo dat de boer zich dan moet verdedigen dat hij die hoeveelheden niet heeft aangevoerd.

Een boer staakte in 1992 zijn bedrijf en verkocht zijn melkquotum en koeien. Hij behield wel zijn boerderij en 47 hectare land ten behoeve van onder meer het weiden van zijn schapen en paarden, 5 hectare verpachte hij.

In 2001 vroeg de boer een kennis mest over zijn land uit te rijden en wel zodanig dat de normen van de MINAS-wetgeving niet zouden worden overschreden en er dus geen meststoffenheffing verschuldigd zou worden. Voor zover de boer het weet is het uitrijden één keer gebeurd. De hoeveelheid geleverde mest en de aard ervan is hem nimmer medegedeeld en hij heeft nooit geld ontvangen voor de aanvoer van mest op zijn grond.

Volgens de inspecteur van Dienst Regelingen heeft de boer vervolgens in 2002 van twee verschillende leveranciers mest afgenomen. Hij heeft daar afleveringsbewijzen en bankafschriften van. De inspecteur vroeg de boer vervolgens in 2003 een verfijnde aangifte te doen van de mineralenheffing (fosfaat-en stikstofheffing) voor het heffingsjaar 2003. Die aangifte moest voor september 2003 zijn ingediend. Omdat die een jaar later nog niet binnen was besloot de inspecteur over te gaan tot een naheffingsaanslag fosfaatheffing met verzuimboetes.

De boer ging hiertegen in beroep. Hij voerde onder meer aan dat hij nooit afleveringsbewijzen zou hebben gezien en dat de handtekeningen op de afleveringsbewijzen die de inspecteur heeft ontvangen niet van hem zijn. Ook zegt hij de aangifte te hebben ingediend en wel in oktober 2004.

De rechtbank oordeelt het beroep gegrond. Bewezen is dat de handtekeningen op de afschriften compleet anders zijn dan de handtekening op het rijbewijs van de boer. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de boer geen strafbaar feit heeft begaan met het overschrijden van de door de inspecteur gestelde termijn. De termijn had volgens de rechtbank namelijk niet het karakter van een fatale termijn.

Het is daarnaast niet controleerbaar of de boer wel voldoende tijd heeft gehad voor het doen van aangifte. De inspecteur heeft tot slot dus niet aannemelijk kunnen maken dat de door hem gestelde hoeveelheden dierlijke meststoffen in 2002 daadwerkelijk zijn aangevoerd op de grond van de boer.

Meer informatie Volledige uitspraak van de rechtbank van Leeuwarden

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.