Home

Achtergrond 82 x bekeken

Ministerie houdt poot vooralsnog stijf

Er komt voorlopig geen versoepeling van het voortzettingsvereiste in de Successiewet als een boer een maatschap met de partner wil aangaan. Wel wordt op dit moment bestudeerd of een toekomstige wijziging van de wet- of regelgeving tot de mogelijkheden behoord. Dat heeft de staatssecretaris van Financiën middels een brief bekend gemaakt.

Wie in aanmerking wil (blijven) komen voor de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de Successiewet moet de (in de praktijk doorgaans van de ouders overgenomen) onderneming gedurende een periode van ten minste vijf jaren voortzetten. Deze periode wordt de voortzettingsperiode genoemd. Wordt het bedrijf binnen de voortzettingsperiode gestaakt, dan volgt een naheffingsaanslag voor het recht van schenking (als men de boerderij tijdens het leven van de ouders heeft overgenomen) of voor het recht van successie (als de boerderij is vererfd).

Op het vereiste van voortzetting bestaan enkele uitzonderingen. Onder deze uitzonderingen valt echter niet het voor de praktijk belangrijkste pijnpunt: de onmogelijkheid om tijdens de voortzettingsperiode als voortzetter een maatschap of firma aan te gaan met de eigen partner. In antwoord op vragen van de VLB (www.vlb.nl) heeft het Ministerie van Financiën (www.minfin.nl) aangegeven te studeren op de vraag of wetswijziging tot de mogelijkheden behoort. Men is echter op het Ministerie van mening dat de wettelijke bepalingen het op dit moment niet toelaten dat zonder fiscale gevolgen een samenwerkingsverband met de partner wordt aangegaan. Dit wordt aangemerkt als een gedeeltelijke staking. En wie staakt zet nu eenmaal niet voort.

Wie het bedrijf van zijn (of haar!) ouders overneemt wil na die overname graag met de partner een maatschap of firma aangaan. Zo’n samenwerkingsverband is immers fiscaal voordelig als beiden in de onderneming werkzaam zijn. De winst kan verdeeld worden en beide partijen hebben recht op tal van fiscale faciliteiten, zoals de zelfstandigenaftrek en de oudedagsreserve. Overdracht van de helft van de onderneming – ook als dat gebeurt met voorbehoud van de in de onderneming aanwezige stille reserves – levert volgens de letterlijke tekst van de wet - zoals gezegd - een gedeeltelijke staking bij de overdragende partij op.

Dit heeft tot gevolg dat de eerder verleende faciliteit in de Successiewet wordt teruggenomen. Gelet op het verschil tussen de in de wet opgenomen voortzettingswaarde en de vrije waarde van een agrarisch bedrijf is dat iets wat geen agrarisch ondernemer zich kan veroorloven. Men kan zich echter afvragen of feitelijk wel sprake is van een staking als je de bedrijfsvoering voor de helft overdraagt aan je man of vrouw. Feitelijk verandert er in dit geval immers niets, zeker niet als beide partijen in gemeenschap van goederen met elkaar zijn getrouwd. Het Ministerie heeft hier echter geen boodschap aan, en houdt de poot stijf. Een alternatief zou zijn dat de ene partner bij de ander in loondienst treedt, maar dat is in fiscaal opzicht veel minder voordelig.

Er lijkt op dit moment maar één oplossing te zijn voor wie na de overname met de partner in maatschapsverband wil gaan samenwerken. En dat is de partner voor de overname laten toetreden. Er bestaat dan gedurende korte tijd een maatschap tussen ouder(s), kind en diens partner. Uiteraard dienen bij deze toetreding de stille reserves te worden voorbehouden. Daarna dragen de ouder(s) hun onderneming over aan het eigen kind. Deze zoon of dochter zit daarna enkel nog met de eigen partner in de maatschap. En dat was precies de bedoeling.

S.F.J.J. Schenk (Gibo Accountants en Adviseurs)

Meer informatie Brief ministerie van Financiën

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.