Home

Achtergrond 200 x bekeken

Schenkingen geen nakoming van natuurlijke verbintenis

Schenkingen van een moeder aan zoons met het doel hun boerenbedrijf in stand te houden is geen nakoming van een natuurlijke verbintenis. Dat heeft het Gerechtshof van Den Bosch bepaald. De moeder was de schenkingen namelijk objectief gezien niet moreel verplicht.

Na het overlijden van hun vader in 1995 en het uittreden van hun moeder in 2000 zetten twee zoons het boerenbedrijf nog in maatschapsverband voort. In de jaren 2001 en 2002 deed de moeder schenkingen aan haar zoons met, naar eigen zeggen, het doel om de zoons in de gelegenheid te stellen het boerenbedrijf zelf voort te zetten.

De zoons kregen over deze schenkingen van de inspecteur van de belastingdienst een tweetal aanslagen opgelegd. Zij gingen hiertegen in beroep omdat het volgens hen ging om een natuurlijke verbintenis als gevolg waarvan de bedragen vrijgesteld zijn van schenkingsrecht.

De familie moet volgens de zoons worden gezien als één geheel. De familieleden hebben een zeer dringende morele verplichting tegenover elkaar. Het levenswerk van de ouders wordt voortgezet en het bedrijf zal nooit vrijwillig worden verkocht. Het geschonken geld is voor bedrijfsuitvoering en niet voor privé- doeleinden. Als de zoons geen boer waren geworden hadden ze de schenking niet gekregen.

De inspecteur van de belastingdienst oordeelt anders. Naar zijn mening zijn de argumenten van de zoons subjectief en moet er objectief beoordeeld worden of er sprake is van een natuurlijke verbintenis. Daarnaast wijst hij het Hof op de vermogensoptelling. Er zijn tot slot geen met de zoons vergelijkbare gevallen waarin wel een morele verplichting is aangenomen.

Volgens de wet is een natuurlijke verbintenis een rechtens niet afdwingbare verbintenis. Deze bestaat wanneer de wet of een rechtshandeling aan de verbintenis de afdwingbaarheid onthoudt. Of wanneer iemand jegens een ander een dringende morele verplichting heeft van zodanige aard dat naleving daarvan, ofschoon rechtens niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt.

Het Hof is van oordeel dat de zoons niet aannemelijk hebben gemaakt dat er objectief gezien sprake is van een morele verplichting. Het kan zo zijn geweest dat de moeder zich persoonlijk gedrongen voelde de bedragen ten behoeve van de voortzetting van het bedrijf te schenken. Er is echter geen sprake van een morele verplichting van zodanige aard dat naleving daarvan naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan de zoons toekomende prestatie is aan te merken, mede gelet op de bij de stukken gevoegde vermogensoptelling van de zoons.

Meer informatie Volledige uitspraak van het Gerechtshof van Den Bosch

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.