Home

Achtergrond 119 x bekeken

Pachtrecht hoeft niet naar tijdsbelang te worden gesplitst

Het bij de verkoop van een weiland voorbehouden pachtrecht voor een periode van 12 jaar met recht op verlenging heeft een afschrijvingsperiode van 30 jaar. De omstandigheid dat de verkoper zelf slechts 11 jaar van dat recht zal profiteren heeft geen invloed op de jaarlijkse afschrijving op de waarde van het pachtrecht. Dat heeft de Hoge Raad bepaald.

Een boer drijft in maatschapverband samen met zijn vrouw, zoon en diens echtgenote een melkveehouderij. De ouders waren eigenaar van een weiland en hebben dit tegen een jaarlijkse vergoeding ingebracht in de maatschap. De boer was tevens belanghebbende en enig aandeelhouder van een BV. De ouders hebben het weiland in 1998 verkocht en geleverd aan die BV.

De inbreng vond plaats onder voorbehoud ten behoeve van de agrariër van het pachtrecht voor de duur van 12 jaar met recht op verlenging van telkens zes jaar. De boer bracht het weiland in voor een bedrag wat lager was dan de waarde vrij van pacht. Het verschil merkte hij aan als koopsom van het pachtrecht.

Omdat de agrariër zijn onderneming nog slecht 11 jaar zal exploiteren schrijft hij het pachtrecht in 11 jaar af. De inspecteur van de belastingdienst en ook het Gerechtshof van Leeuwarden vinden die termijn echter niet beslissend voor de jaarlijkse afschrijving op het pachtrecht, maar de termijn gedurende welke de onderneming gebruik zal maken van het pachtrecht.

Het Hof oordeelde dat 11/30ste deel van het pachtrecht tot het ondernemingsvermogen van de ouders diende te worden gerekend en 19/30ste deel tot hun privévermogen. De Hoge Raad is het hier echter niet mee eens. Etikettering van het pachtrecht moet worden gebaseerd op de aanwending daarvan. Omdat die aanwending gebeurd binnen de onderneming vormt het ondernemingsvermogen.

Het feit dat de melkveehouder zijn onderneming mogelijk over 11 jaar zal staken, en het recht dan alsnog naar het privévermogen moet worden overgebracht brengt volgens de Hoge Raad niet met zich mee dat nu al een splitsing naar tijdsbelang moet worden aangebracht. Het beroep van de boer is gegrond verklaard.

Meer informatie Volledige uitspraak van de Hoge Raad

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.