Home

Achtergrond 119 x bekeken

Willekeurige afschrijving commanditaire vennoot

De faciliteit van vervroegde of willekeurige afschrijving is niet beperkt tot het bedrag van de kapitaalinbreng. Dat heeft het Gerechtshof van Den Haag bepaald. Van een onomkeerbaar gevolg in verliessituaties is geen sprake.

Een handelaar handelt sinds 1997 in vennootschap onder firma verband met zijn zoon en schoondochter in varkens. Deze varkenshandel werd van 1993-1997 gedreven voor rekening van een BV. In 1997 besloot de man deel te nemen als commanditair vennoot in een commanditaire scheepvaart-CV. Hij legde hiervoor een bedrag van 31.765 euro in.

In zijn belastingaangifte voor het bewuste jaar bracht hij 72.529 euro, betreffende de aanschafkosten van het schip, aan willekeurige afschrijving ten laste van de onderneming. De inspecteur van de belastingdienst en later ook het Gerechtshof van Amsterdam weigerden de willekeurige afschrijving en de Hoge Raad verwees de zaak in cassatie door naar het Gerechtshof van Den Haag.

Volgens de inspecteur moet de afschrijving worden gemaximaliseerd tot het bedrag van de inbreng. Het Hof verwierp echter deze stelling en oordeelde dat geen willekeurige afschrijving kon worden toegepast omdat de winst uit zeescheepvaart in 1997 niet tot een positief bedrag leidde.

De varkenshandelaar is in cassatie van mening dat er een schending heeft plaatsgevonden van de Algemene wet inzake rijksbelastingen doordat het Hof heeft geoordeeld buiten de verwijzingsopdracht van de Hoge Raad. Ook heeft er naar zijn mening schending plaatsgevonden van het recht doordat het Hof heeft geoordeeld dat bij de toepassing van de willekeurige afschrijving voor startende ondernemers de beperking van artikel zes inzake de zeescheepvaartfaciliteit geldt.

De Procureur-generaal betreurt dat er niet verder is ingegaan op de genoemde susidiaire stelling van de inspecteur. Hij vat dat niet anders op dan dat de Hoge Raad de stelling heeft verworpen. Daarnaast komt in dit geval de varkenshandelaar in aanmerking voor zowel de willekeurige afschrijving voor investeringen door startende ondernemers als voor de faciliteit voor investeringen in zeeschepen. Tussen die twee faciliteiten bestaat geen verplichte rangorde. De varkenshandelaar kan dat zelf bepalen.

De staatssecretaris van Financiën stelde in zijn incidentele beroep in cassatie dat er schending heeft plaatsgevonden van de wet op de inkomstenbelasting uit het Wetboek van koophandel doordat het Hof de meer subsidiaire stelling van de inspecteur heeft verworpen.

De procureur-generaal is van mening dat als de totaalwinst uiteindelijk niet negatief is, of niet negatiever is dan het bedrag van de kapitaalinbreng, toepassing van de faciliteit uitsluitend een liquiditeitsvoordeel tot gevolg heeft. Niet goed valt te zien waarom dit op de instandhouding van de objectieve onderneming gerichte voordeel voor een commanditaire vennoot anders zou moeten zijn dan voor de andere beherende vennoten.

Het is volgens de Procureur-generaal verder onjuist om vooruit te lopen op mogelijk in de toekomst optredende rampspoed waardoor een feitelijk verlies zou ontstaan dat hoger is dan het bedrag van de kapitaalinbreng. Dat hoort niet bij goed koopmansschap. Uiterlijk op het tijdstip van de liquidatie van de commanditaire vennootschap moet het verschil tussen het commerciële/civielrechtelijke slotkapitaal (nihil) en het (negatieve) fiscale eigen vermogen van de commanditaire vennoot in de heffing worden betrokken.

Van een onomkeerbaar gevolg zoals de staatssecretaris stelt is dus ook geen sprake volgens hem. De Procureur-generaal concludeert uiteindelijk tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie van de varkenshandelaar en tot ongegrondverklaring van het incidentele beroep in cassatie van de staatssecretaris.

Meer informatie De volledige uitspraak van het Gerechtshof van Den Haag

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.