Home

Achtergrond 201 x bekeken

Inkomsten uit windturbine inkomsten uit onderneming?

Dienen de inkomsten uit een windturbine belast te worden als winst uit onderneming of als inkomsten uit vermogen? Hierover wordt momenteel bij de Rechtbank Leeuwarden een proefprocedure gevoerd. Een procedure die voor alle eigenaren van windturbines grote fiscale gevolgen kan hebben.

Zoals bekend is de fiscale behandeling en het geldende tarief zeer verschillend in BOX I of BOX III. Het uiteindelijk rendement van een investering wordt dan ook in sterke mate beïnvloed door de belastingheffing over de investering. Dit geldt uiteraard ook voor de (grote) investeringen in windturbines.

De Rechtbank van Leeuwarden moet zich nu gaan uitspreken over de exploitatie én afschrijvingsperiode van een windturbine. Het betreft weliswaar een procedure over het jaar 2000 – dus vóór de invoering van de Wet IB 2001 - maar de uitkomst van de procedure (nummer 2006/01066) heeft wel degelijk effect voor de jaren na 2000.

Een agrariër krijgt in 1995 een bouwvergunning voor het plaatsen van een windturbine op het erfperceel van de boerderij. De milieuvergunning verkrijgt hij een jaar later. In mei 1996 vestigt de boer een opstalrecht ten behoeve van een energiebedrijf om een windmolen op te richten, voorzien van wieken met een rotordiameter van vierenveertig meter.

De agrariër realiseert op de betreffende grond in april 1996 een windturbine, kosten € 485.500 euro. De windturbine is gecertificeerd voor een technische levensduur van 20 jaar. Het opstalrecht is gevestigd voor de periode 1 mei 1996 t/m 30 april 2000. Op 1 mei 2000 wordt de windturbine aan de boer overgedragen voor € 175 000. De aankoopprijs voldoet A uit privé.

In de aangifte IB 2000 verwerkt de agrariër de exploitatie van de windturbine onder inkomsten uit vermogen (na 2000 BOX III). Bij het bepalen van de afschrijvingskosten gaat hij uit van een afschrijvingsperiode van 10 jaar, inclusief 4 jaar bij de vorige eigenaar.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de exploitatie van de windturbine als een onderneming moet worden aangemerkt. In zijn verweerschrift verwijst hij naar de uitspraak van hof Amsterdam van 21 januari 1999, nr. 1998/00468. Dit hof oordeelde dat de aard van het bedrijf geen andere gevolgtrekking toeliet, dat de exploitatie van een windturbine een onderneming was in de zin van artikel 6 Wet IB 1964. Volgens de inspecteur gelden de gronden, waarop dit hof zijn oordeel baseerde, in versterkte mate voor de windturbine van de boer.

Voor wat betreft de afschrijvingsperiode noemt de inspecteur een aantal argumenten waardoor nog een afschrijvingsperiode resteert van minimaal 10 jaar. Bij het vaststellen van de aanslag gaat hij uit van een afschrijvingsperiode van in totaal 15 jaar. Het ligt volgens de inspecteur op de weg van de agrariër om te bewijzen dat een kortere afschrijvingsperiode van toepassing is.

Mr. P.L.F. Seegers (voorzitter Platform landbouwnormen, werkzaam bij Belastingdienst Oost))

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.