Home

Achtergrond 137 x bekeken

Aanvraag investeringsaftrek binnen drie maanden

Niet het moment van de eerste bestelling, maar het moment van de uiteindelijke orderbevestiging is het moment dat de termijn voor energie-investeringsaftrek ingaat. Dat heeft de Rechtbank van Den Haag bepaald.

Een exporteur van bloemen naar Duitsland kocht een trekker met oplegger voor het transport van de bloemen. Gegeven de lichte constructie van de trekker had hij de verklaring gekregen dat er van een energiebesparing sprake was. Bij de aanslagregeling was de energie-investeringsaftrek ook verleend, maar na een boekonderzoek werd die weer nageheven. De aanvraag zou namelijk meer dan drie maanden na het aangaan van de verplichtingen zijn gedaan.

De exporteur ontkent dit. Volgens haar moet de totale order namelijk gesplitst worden in twee investeringen. Te weten een opdracht voor de levering van een trekker en een opdracht voor de levering van een oplegger. Op 10 augustus 2000 was aanvankelijk overeenstemming bereikt over de aanschaf van een trekker met oplegger, maar de opdracht voor de levering van de oplegger werd vervolgens geannuleerd.

Vervolgens is er overleg gevoerd over de levering van een andere oplegger wat resulteerde in een nieuwe offerte op 19 januari 2001 en een orderbevestiging op 20 februari 2001. Daarom stelt de exporteur dat de feitelijke investering veel later dan augustus 2000 heeft plaatsgevonden. De uiteindelijke melding voor investeringsaftrek is gedaan op 26 april 2006.

Volgens de inspecteur van de belastingdienst moet de orderbevestiging van 10 augustus 2000 en die van 20 februari 2001 gezien worden als één geheel. Het is volgens de inspecteur namelijk altijd de bedoeling van de exporteur geweest een trekker mét oplegger aan te schaffen.

De Rechtbank stelt de inspecteur in het ongelijk. Volgens haar heeft de exporteur aannemelijk gemaakt dat de aanvankelijke opdracht tot levering van 10 augustus is ontbonden, in die zin dat op basis van die overeenkomst partijen alleen nog overeenstemming hadden over de levering van de trekker.

Op de opdrachtbevestiging van 20 februari 2001 staat dan ook één totaalbedrag inclusief trekker. De door de inspecteur opgevoerde omstandigheid dat de opdrachtnemer al eerder werkzaamheden aan de oplegger zou hebben uitgevoerd maakt dat niet anders. Volgens de Rechtbank is dat namelijk voor eigen rekening van de opdrachtnemer.

Tot slot is niet de offerte van 19 januari, maar de orderbevestiging van 20 februari de datum dat de betalingsverplichting officieel is aangegaan. Hieruit leidt de Rechtbank af dat de aanmelding voor de energie-investeringsaftrek tijdig is gedaan. Het beroep van de inspecteur is ongegrond.

Meer informatie Volledige uitspraak van de Rechtbank van Den Haag

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.