Home

Achtergrond 360 x bekeken

Tijdelijke overlast aangemerkt als planschade

Tijdelijke overlast als gevolg van bijvoorbeeld de aanleg van een spoorlijn kan ook recht geven op een planschadevergoeding. Dat blijkt uit een uitspraak van de Raad van State naar aanleiding van bouwwerkzaamheden aan de Betuweroute.

Bij de vergoeding van planschade, als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gaat het om de vergoeding van schade die optreedt doordat een bestemmingsplan is gewijzigd, dan wel vergunningen zijn verleend met vrijstelling van het geldende bestem-mingsplan. Het gaat dan in de regel om de vergoeding van vermogensschade doordat bijvoorbeeld een woning minder waard is geworden.

In de regel is de rechtspraak niet scheutig met het toekennen van vergoedingen als gedurende een bepaalde periode werkzaamheden worden uitgevoerd en dientengevolge gedurende deze periode ernstige hinder ontstaat. In de meeste gevallen oordeelde de Raad van State dat enkel als de vermindering van duurzame aard was, schade moet worden betaald. Schadevergoeding voor de hinder door de bouwwerkzaamheden zelf wordt in het algemeen als een normaal maatschappelijk risico gezien.

In maart deed de Raad van State uitspraak in een zaak waarin een verzoek om planschade is ingediend vanwege de aanleg van de Betuweroute. De ingeschakelde planschadecommissie had geadviseerd aan de belanghebbende een schadevergoeding toe te kennen ten gevolge van het Tracébesluit Betuweroute. Belanghebbende was hiermee niet tevreden en vond dat ook een vergoeding moest worden toegekend vanwege de tijdelijke overlast van de bouwwerkzaamheden. Deze vergoeding werd door de minister van Verkeer en Waterstaat (V&W) geweigerd.

Het standpunt van de minister kwam erop neer dat deze tijdelijke hinder niet leidt tot een zodanige beperking van het gebruik en het woongenot dat deze het normaal maatschappelijk risico te boven gaat. Belanghebbende ging tegen deze uitspraak in beroep bij de rechtbank en kreeg daar ongelijk. De Raad van State heeft de rechtbank op dit onderdeel echter teruggeflo-ten.

De Raad van State vindt dat de duur, intensiteit en omvang van de hinder zodanig is dat deze het normaal maatschappelijk risico te boven gaat. In dit specifieke geval was sprake van een periode van overlast gedurende circa anderhalf jaar en werd er dag en nacht gewerkt. Daar-naast werd een belangrijk deel van de bouwwerkzaamheden uitgevoerd op een afstand van slechts 56 meter van de woning van belanghebbende.

Van belang achtte de Raad van State ook dat er sprake was van diverse soorten overlast zoals geluidshinder, trillingshinder en ver-minderd uitzicht. Ook dat de belanghebbende in een eerder rustige en landelijke omgeving woonde, was van belang. De Raad van State vindt dus dat onder die omstandigheden de schade als gevolg van deze tijdelijke overlast moet worden vergoed.

De Raad laat zich niet uit over hoe hoog de vergoeding moet zijn. De minister van V&W zal daarover een nieuwe beslissing moeten nemen.

Niet ondenkbaar is dat daarbij onder meer gekeken wordt naar de periode van de hinder en dat voor iedere maand dat die periode heeft geduurd een bepaald bedrag wordt toegekend in verband met het verminderde woongenot. In 2000 heeft de Raad van State al eens uitgesproken dat bewoners recht hadden op een vergoeding van ƒ 10.000 vanwege het tijdelijk verminderde woongenot. Het ging daar echter niet om een planschadezaak.

Van belang is om bij het indienen van een verzoek om planschade ook na te gaan in hoeverre afzonderlijk schadevergoeding moet worden gevraagd voor een tijdelijke periode van ernstig verminderd woongenot. Het zal afhangen van de aard, de duur en de intensiteit van de werk-zaamheden of voor een dergelijke vergoeding aanleiding kan zijn. Aanbevolen wordt in dat soort gevallen daar expliciet om te vragen en dit ook zoveel mogelijk aan de hand van de bo-vengenoemde criteria te onderbouwen.

Mr. F.W. van Dijk (A & S Advocaten)

Meer informatie Uitspraak van de Raad van State
Lees ook Planschadewet treedt deze maand in werking

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.