Home

Achtergrond 247 x bekeken

Kamervragen over landbouwvrijstelling

Tweede Kamerleden hebben minister Veerman en staatssecretaris Wijn om een reactie gevraagd over de dreigende afschaffing van de landbouwvrijstelling voor ondergrond van de agrarische woning. De vragen vloeien voort uit een brief van accountantsorganisatie Countus waarin staat dat de fiscale behandeling van landbouwgrond weer ter discussie wordt gesteld.

Samen met een aantal collega’s waaronder Dezentjé Hamming-Bluemink en Oplaat heeft het lid Snijder-Hazelhoff de bewindslieden gevraagd uiterlijk op maandag 27 juni 2005 te antwoorden opdat - indien gewenst - de vaste commissies voor Financiën en voor LNV nog vóór aanvang van het zomerreces de antwoorden kunnen bespreken.

In een brief van een accountantsorganisatie staat dat de fiscale behandeling van landbouwgrond weer ter discussie wordt gesteld. Countus heeft de kamer dan ook gevraagd om van de staatssecretaris een verklaring te krijgen dat de landbouwvrijstelling ook voor de ondergrond van de woning van toepassing blijft.

Lees ook Nieuw besluit landbouwvrijstelling in de maak

Overzicht gestelde kamervragen

Vragen van de vaste commissies voor Financiën en voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de staatssecretaris van Financiën.

1. Kent u de brief van de accountantsorganisatie Countus 1) over de dreigende afschaffing van de landbouwvrijstelling voor ondergrond van de agrarische woning door de Belastingdienst?

2. Bent u voornemens de landbouwvrijstelling niet meer van toepassing te laten zijn op de ondergrond van de agrarische woning?

3. Bent u van mening dat uit de in de brief van Countus genoemde arresten volgt dat reeds sinds de wijziging van de vrijstelling in de inkomstenbelasting voor waardeveranderingen van de landbouwgrond - de landbouwvrijstelling - per 1 januari 1986 waardeveranderingen van grond waarop een woning is gebouwd, ook als dit bijvoorbeeld een eerste agrarische bedrijfswoning betreft, niet langer vallen onder deze vrijstelling?

4. Zo ja, hoe verklaart u dat over een dergelijke inperking van de landbouwvrijstelling niets terug te vinden is in de parlementaire geschiedenis van de wetswijziging per 1 april 1986 en dat tot op heden feitelijk door de Belastingdienst het beleid is gevoerd dat dergelijke woonpercelen nog wel onder de (hoofdregel van de) landbouwvrijstelling vallen, in ieder geval waar het als zodanig functionerende agrarische bedrijfswoningen betreft?

5. Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot het feit dat bij de parlementaire behandeling van het voorstel tot wijziging van de landbouwvrijstelling per 27 juni 2000 door uw ambtsvoorganger uitdrukkelijk is aangegeven dat ook na die wijziging van de vrijstelling de waardeveranderingen van de ondergrond van een bedrijfswoning nog altijd in de vrijstelling delen? 2)

6. Bent u voornemens het voorgenomen beleid in te trekken?

7. Ligt het in het licht van het voorgaande niet in de rede dat de Tweede Kamer uitdrukkelijk instemt met een inperking van de landbouwvrijstelling?

8. Bent u bereid deze vragen uiterlijk op maandag 27 juni 2005 te beantwoorden opdat - indien gewenst - de vaste commissies voor Financiën en voor LNV nog vóór aanvang van het zomerreces uw antwoord kunnen bespreken?

1) Brief Countus, 10 mei 2005, (Fin0500232 / LNV0500350).
2) Kamerstuk 27 209, nr. 6, blz. 66.

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.