Home

Achtergrond 234 x bekeken

Wijn schept duidelijkheid over erfenis en belasting

Door het nieuwe erfrecht zijn voor de inkomstenbelasting ongewenste situaties ontstaan met betrekking tot de niet opeisbare geldvordering op de langstlevende echtgenoot. Om deze problemen het hoofd te bieden bevat de inkomstenbelasting een bijzondere regeling. Staatssecretaris Wijn (Financiën) heeft aantal problemen omtrent de toepassing daarvan opgelost.

Sinds 1 januari 2003 is er een nieuw erfrecht. Als een gehuwde met kinderen zonder testament overlijdt, krijgt de langstlevende echtgenoot als erfgenaam automatisch de goederen uit de nalatenschap. Daar staat tegenover dat hij of zij ook de schulden uit de nalatenschap op zich moet nemen. De kinderen krijgen als erfgenamen een niet opeisbare geldvordering op de langstlevende echtgenoot. Dit systeem staat bekend als de wettelijke verdeling.

Deze schuld respectievelijk vordering moet in beginsel worden aangegeven in de aangifte inkomstenbelasting, uiteraard meestal in box 3. Dat is met name voor de kinderen vervelend. Hun vordering draagt geen rente, maar ze zijn er wel belasting over verschuldigd. De ouder heeft een schuld die in mindering komt op het totale vermogen, maar hoe moet je die waarderen?

Om deze problemen op te lossen bevat de inkomstenbelasting een bijzondere regeling, opgenomen in artikel 5.4 van de Wet IB 2001. Dit artikel bepaalt dat de geldvordering van de kinderen op de achtergelaten echtgenoot van een overleden ouder geen bezitting is voor het bepalen van het inkomen uit sparen en beleggen (box 3). De met de geldvordering corresponderende schuld is voor de achtergelaten echtgenoot geen schuld in box 3, en dus niet aftrekbaar voor de weduwe of weduwnaar. Het gaat hierbij enkel om de situatie die ontstaat na een wettelijke verdeling of een ouderlijke boedelverdeling (OBV). Bij een vruchtgebruiktestament of een keuzelegaat geldt de hoofdregel.

In de praktijk bestaat een aantal vragen over de toepassing van artikel 5.4. Voor acht situaties heeft de staatssecretaris nu duidelijkheid gegeven. De regeling is niet van toepassing voor een ‘ik-opa-testament’. Het artikel geldt wel als:

- een stiefkind erft, en als gevolg daarvan een vordering krijgt op de stiefvader of stiefmoeder;

- ten gevolge van plaatsvervulling (vader of moeder zijn eerder overleden dan opa of oma) een stiefkind erft, en het kleinkind als gevolg daarvan een vordering krijgt op opa of oma. Deze regeling krijgt op verzoek terugwerkende kracht tot 2001;

- een kind erft, maar het vervolgens zelf overlijdt waardoor schoonzoon of – dochter de vordering op schoonvader of – moeder krachtens erfrecht of huwelijksgoederenrecht verkrijgt. Ook deze regeling krijgt op verzoek terugwerkende kracht tot 2001;

- langstlevende ouder en kinderen overeen komen dat de vordering die de kinderen op de langstlevende ouder hebben wegens overbedeling van deze ouder renteloos zal zijn;

- een nalatenschap weliswaar overeenkomstig de voorwaarden van artikel 5.4 is verdeeld, maar iemand een legaat heeft gekregen (bijvoorbeeld een antieke klok voor één kind, of een bedrag aan de kerk of kankerfonds of hartstichting);

- de langstlevende echtgenoot of de ervende kinderen in het buitenland wonen;

- er een keuzetestament is (waarbij het testament van de erflater de achtergelaten echtgenoot als erfgenaam de keuze biedt tussen een vruchtgebruiklegaat of een verdeling van de nalatenschap die voldoet aan de voorwaarden van artikel 5.4 en de achtergelaten echtgenoot kiest voor een verdeling van de nalatenschap die voldoet aan de voorwaarden van het artikel. Niet de inhoud van het testament is dus maatgevend, maar de uiteindelijk gevolgde feitelijke verdeling van de nalatenschap.

mr. S.F.J.J. Schenk (Gibo Accountants & Adviseurs)

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.