Home

Achtergrond 106 x bekeken

Zonering geen zekerheid voor IPPC-bedrijven

Grote veehouderijbedrijven die buiten de zones rondom een kwetsbaar gebied zijn gevestigd, kunnen er niet zomaar vanuit gaan dat zij slagen voor een IPPC-toetsing. De algemene zonering doet geen recht aan plaatselijke milieu-omstandigheden.

Tot die conclusie komt het Instituut voor Agrarisch Recht (IAR) in een rapport over de gevolgen van de IPPC-richtlijn (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) voor veehouderijen in Noord-Brabant. Gedeputeerde Staten (GS) hebben de studie, die eind vorig jaar is verricht, deze week naar buiten gebracht.

Het werken met zones zoals in een brief van het kabinet in september 2003 voorgesteld, verdraagt zich niet met de IPPC-richtlijn. Volgens de onderzoekers is de aard van het gebied bepalend. Voor sommige locaties is tweeduizend meter nog te dichtbij en voor andere kan een paar honderd meter al voldoende zijn. Een generieke regeling is dus uitgesloten. Een vergunningaanvraag voor een grote veehouderij moet daarom altijd gevolgd worden door een individuele IPPC-toetsing.

De enige oplossing is dat de zones zo groot worden gemaakt, dat bedrijven daarbuiten wel altijd voldoen aan de IPPC-richtlijn. Maar dat zou tegelijkertijd betekenen dat veel veehouderijen binnen de zones onnodig worden beperkt.

De Noord-Brabantse GS concluderen op basis van het rapport van het IAR dat de systematiek van zones die regering heeft ontwikkeld, te beperkt is. Zij vinden dat toetsing aan de richtlijn met extra zorg dient te gebeuren. Dat kan door rekening te houden met de voor verzuring gevoelige gebieden, stankgevoelige objecten, (achtergrond-) belasting door bestaande bedrijven in de omgeving en toekomstige ontwikkelingen zoals andere nieuwvesting of uitbreiding.

Elke vergunningaanvraag bij uitbreiding of oprichting van een grote veehouderij moet worden getoetst aan de IPPC-richtlijn. De aanvraag wordt afgewezen als er met gebruik van de “best beschikbare technieken” een “significante” toename van verontreiniging valt te verwachten. De provincie had aan de onderzoekers gevraagd wat de regering verstaat onder “significant”. Dat weet waarschijnlijk niemand, luidt de conclusie van het IAR.

De IPPC-richtlijn geldt voor bedrijven met meer dan 2.000 vleesvarkensplaatsen, 750 zeugenplaatsen of 40.000 kippenplaatsen. Een lastige kwestie hierbij is in hoeverre de verschillende activiteiten bij elkaar moeten worden opgeteld. Volgens het IAR is een definitief antwoord hierop nog niet mogelijk omdat de tekst van de richtlijn niet geheel duidelijk is en jurisprudentie ontbreekt. Maar de onderzoekers zouden het onlogisch vinden als een bedrijf met twee stallen met elk 2.000 mestvarkens wel de best beschikbare technieken zou moeten toepassen, en een veehouderij met een stal met 1500 mestvarkens en een stal met 400 zeugen niet. In het licht van de doelstelling van de richtlijn zouden de categorieën bij elkaar moeten worden opgeteld.

Nu wordt de richtlijn nog alleen toegepast bij aanpassing van bedrijven en de oprichting van nieuwe veehouderijen. Bestaande bedrijven die binnen de emissiewaarden van de huidige vergunning blijven, hoeven dus nog geen aanpassingen te doen. Vanaf oktober 2007 geldt de richtlijn voor alle grote veehouderijen.

Lees ook Regionale omstandigheden van invloed op best beschikbare technieken
Meer informatie Rapport van het IAR
Meer informatie Reactie van GS
Meer informatie Brief kabinet over zonering

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.