Home

Achtergrond 80 x bekeken

Voor bepaalde tijd ongebruikte grond valt toch onder landbouwvrijstelling

Een tuinder koopt grond aan voor de uitbreiding van een tuinbouwbedrijf. Omdat zijn bank hem echter geen financiering wil verstrekken voor de bouw van de bedrijfsgebouwen is hij genoodzaakt om de grond weer door te verkopen. De Procureur-Generaal concludeert dat ook hier de landbouwvrijstelling van toepassing is.

In deze zaak koopt een tuinder in juli 1999 een perceel voor de uitbreiding van zijn glastuinbouwbedrijf. De aanwezige glasopstanden worden gesloopt en de tuinder houdt het perceel onkruidvrij, maar wordt niet gebruikt voor daadwerkelijke productie. De bankier van de tuinder wil niet meewerken aan de financiering van de uitbreiding. De grond wordt daarom op 30 mei 2000 doorverkocht. Na aftrek van kosten levert dit een winst op van € 155.000. Dit wordt aan elk van de maten voor de helft toegeschreven.

De tuinder doet echter een beroep op de landbouwvrijstelling. De belastinginspecteur en het Gerechtshof Den Haag staan dit echter niet toe. Volgens hen valt de vervreemdingswinst niet onder de landbouwvrijstelling, omdat de grond niet dienstbaar is aan het landbouwbedrijf. Volgens de tuinder wordt dit begrip echter te letterlijk genomen. De tuinder gaat daarop in hoger beroep.

Vooruitlopend op de uitspraak komt de Procureur-Generaal tot de conclusie dat de landbouwvrijstelling wel van toepassing is. Alleen het feit dat het stuk grond een bepaalde periode ongebruikt is gebleven wil niet zeggen dat het perceel buiten de landbouw is aangewend. In afwachting van de nieuwbouw vindt de Procureur-Generaal dan ook dat het perceel is aangewend voor de landbouw in eigenlijke zin en de landbouwvrijstelling dus van toepassing is. De definitieve uitspraak van de Hoge Raad volgt later.

Lees ook Geen landbouwvrijstelling op niet-gebruikte grond
Meer informatie Advies van de advocaat-generaal

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.