Home

Achtergrond 167 x bekeken

Vergunningsprocedures Natuurbeschermingswet toegelicht

De nieuwe Natuurbeschermingswet 1998 biedt duidelijkheid over procedures die doorlopen moeten worden bij vergunningverlening. Op 1 oktober is de wet in werking getreden. Een handreiking van het ministerie van LNV legt de regels uit aan bestuurders en initiatiefnemers.

Boeren en tuinders die een activiteit, project of plan willen uitvoeren in een gebied dat in het netwerk van Natura 2000 ligt (alle vogel- en habitatrichtlijngebieden), krijgen te maken met de Natuurbeschermingswet. Voor deze gebieden geldt een speciaal beschermingsregime waardoor een bijzondere vergunningsprocedure toegepast moet worden. In de handreiking van LNV worden alle stappen in detail toegelicht.

Beheersplan
Centraal in de nieuwe Natuurbeschermingswet staat het beheersplan. Voor elk Natura 2000-gebied stelt het bevoegd gezag, meestal Gedeputeerde Staten (GS), in samenwerking met eigenaren, gebruikers en andere belanghebbenden een dergelijk plan op. Hierin dienen een uitwerking van de instandhoudingsdoelstellingen en de beoogde resultaten in samenhang met het huidige gebruik te staan.

Een boer of tuinder die een vergunning aanvraagt, krijgt die alleen als de activiteiten niet strijdig zijn met dit beheersplan. De Natuurbeschermingswet schrijft voor dat alle beheersplannen over drie jaar gereed moeten zijn.

Vergunningverlening
De vergunningsprocedure bestaat in beginsel uit twee stappen. Eerst heeft de oriëntatiefase plaats. Daarin wordt globaal bekeken of het initiatief de kans op een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen met zich meebrengt. Afhankelijk van het resultaat wordt de aanvraag afgewezen, of heeft toetsingplaats

Oriëntatiefase
In de oriëntatiefase moet het bevoegd gezag uitzoeken of de kans bestaat dat bij uitvoering van het plan of project een significant negatief effect optreedt. Er zijn drie antwoorden mogelijk op die vraag:

  • Nee. In dat geval is er geen vergunning nodig op basis van de Natuurbeschermingswet.
  • Er is mogelijk wel een negatief effect, maar dat is zeker niet significant. De verslechterings- en verstoringstoets moet worden afgenomen.
  • Ja. Er heeft een passende beoordeling plaats.

Toetsingsfase

Verslechterings- en verstoringstoets
Het bevoegd gezag moet nagaan of een project, handeling of plan een verslechtering of verstoring van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten kan opleveren. De vergunning mag worden verleend als dat niet het geval is. Ook als de negatieve effecten aanvaarbaar zijn, kan, onder voorwaarden, toestemming gegeven worden. Als de verslechtering of verstoring ten aanzien van de instandhoudingsdoelstellingen echter onaanvaardbaar is, moet de vergunning worden geweigerd. Het bevoegd gezag heeft bij de beoordeling een grotere vrijheid dan wanneer de vergunningaanvraag via de passende beoordeling verloopt.

Passende beoordeling
De hoofdvraag uit de oriëntatiefase wordt bij een passende beoordeling nauwkeuriger beantwoord. Indien alsnog blijkt dat zich zeker geen significant negatief effect zal voordoen, kan de vergunning alsnog worden verleend. Bij een mogelijk negatief effect dat zeker niet significant is, moet worden teruggeschakeld naar de verslechterings- en verstoringstoets. Als er wel sprake is van een kans op significant negatieve effecten, heeft toetsing plaats aan de zogeheten ADC-criteria.

  • Zijn er Alternatieven?
  • Is er sprake van een Dwingende reden van groot openbaar belang?
  • Zijn er Compenserende maatregelen voorzien?

Alleen als aan deze voorwaarden wordt voldaan, kan alsnog een vergunning verleend worden. In alle andere gevallen kan het project, plan of handeling geen doorgang vinden.

Lees ook Nieuwe natuurbeschermingswet in oktober van kracht
Meer informatie Algemene Handreiking Natuurberschermingswet 1998
Naslag Natuurbescherming

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.