Home

Achtergrond 359 x bekeken

Investeringen waar mogelijk een luchtje aan zit

Een bedrijfsmiddel waarvoor investeringspremie is ontvangen doorverkopen aan een familielid zodat die daar ook premie voor op kan strijken, is een truc die de Belastingdienst niet accepteert. Toch is dit in een enkel geval toegestaan. Een nieuw Besluit investeringsverplichtingen regelt de gevolgen voor de vennootschapsbelasting.

Ondernemers hebben recht op een fiscale aftrek als zij investeren in bedrijfsmiddelen. De gedachte daarachter is dat het goed is voor de werkgelegenheid en de verdere economische ontwikkeling van Nederland als er fors wordt geïnvesteerd. Als de ondernemer binnen een bepaalde periode zijn investering weer ongedaan maakt (desinvesteert), moet de eerder verleende premie weer worden terugbetaald.

Het zou interessant kunnen zijn om na afloop van de periode waarin de eerder ontvangen premie moet worden terugbetaald de bedrijfsmiddelen door te verkopen aan iemand anders. Bijvoorbeeld aan de eigen BV of aan een naast familielid. De verkoper immers hoeft geen desinvesteringspremie te betalen (want hij of zij zit buiten de termijn), terwijl de koper wel zijn investeringspremie kan opstrijken. Dat zou te mooi zijn om waar te zijn. En dat is het ook. Want om dit soort grappen met investeringen te voorkomen, is bepaald dat transacties die worden aangegaan tussen naaste verwanten, tussen grootaandeelhouder en eigen BV en tussen de erfgenamen van een erfenis uitgesloten zijn van investeringsaftrek. De hiervoor genoemde grap gaat dus niet op.

Toch heeft de belastingdienst – weliswaar omgeven met een heleboel mitsen en maren – voor reële gevallen een recht op investeringsaftrek toegekend. Hierbij moet onderscheiden worden de situatie dat een natuurlijk persoon investeert en de situatie dat een rechtspersoon investeert. In de eerste situatie is de inkomstenbelasting van toepassing, in de tweede situatie is uiteraard de vennootschapsbelasting van toepassing.

Voor ‘verdachte’ investeringen in de inkomstenbelasting zijn al op 28 en 29 november 2000 een drietal besluiten verschenen. Zij regelen de mogelijkheid om in een verdachte situatie toch recht op investeringsaftrek te krijgen, namelijk in geval van transacties tussen naaste verwanten, tussen grootaandeelhouders onderling en tussen gerechtigden tot een nalatenschap onderling (erfgenamen dus).

Onlangs, op 29 december 2004, is voor de genoemde situatie een besluit verschenen dat de gevolgen regelt voor de vennootschapsbelasting. Het Besluit is een nieuwe uitgave van een eerder besluit, dat in 1994 verscheen. Het nieuwe Besluit regelt de mogelijkheid voor een BV om toch – in afwijking van de hoofdregel – investeringsaftrek te krijgen als een hele onderneming wordt overgenomen tegen uitreiking van aandelen. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als een agrariër zijn onderneming geruisloos inbrengt in een BV. Van een besmette situatie is eveneens sprake indien een BV handelt met haar grootaandeelhouder. Ook dan geldt: geen aftrek, tenzij …

In het Besluit is een vijftal voorwaarden opgenomen waar in de hiervoor genoemde ‘verdachte’ situaties voldaan moet worden om toch recht op aftrek te krijgen. Zo mag het niet om beleggingen gaan waarin geïnvesteerd wordt, mag de verkoper op de verkochte spullen geen rechten behouden en voorts moet de transactie niet ongebruikelijk zijn. Als een agrariër zich in één van de genoemde twee verdachte situaties bevindt en hij overweegt te gaan investeren, doet hij er verstandig aan zich tijdig over dit besluit te informeren. Dat geldt wellicht nog meer voor de al in november 2000 uitgevaardigde besluiten.

Analyse door mr. S.F.J.J. Schenk (GIBO Adviesgroep Belastingen)

Meer informatie Het Besluit Investeringverplichtingen

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.