Home

Achtergrond 167 x bekeken

Maatschapovereenkomst gelijk gesteld aan pachtovereenkomst

Op 15 juni 2004 heeft de Pachtkamer van het Gerechtshof te Arnhem in een concrete situatie uitgemaakt dat een maatschapovereenkomst moet worden aangemerkt als een pachtovereenkomst. Dit hangt echter volledig af van de inhoud. Alleen de titel is hiervoor niet voldoende.

Twee vennoten hebben op 20 september 1998 een akte getekend met als opschrift “overeenkomst van maatschap”. In die overeenkomst stond dat partijen gezamenlijk en voor gemeenschappelijke rekening een agrarisch bedrijf zouden uitoefenen. Vennoot I bracht het gebruik en genot in van zijn 44 hectaren grond, zijn bedrijfsgebouwen en zijn productierechten. Vennoot II bracht alleen roerende goederen in. Volgens de overeenkomst zouden beide vennoten zoveel arbeid en vlijt inbrengen als nodig en mogelijk was. Over de winst bepaalden partijen dat vennoot I per maand een aandeel in het bedrijfsresultaat zou ontvangen en dat beide vennoten een vergoeding zouden krijgen voor de geleverde arbeidsprestatie. Van de winst was 10% voor vennoot I en 90% voor vennoot II. Eventueel verlies kwam volledig voor rekening van vennoot II.

Op dezelfde 20 september 1998 hebben de vennoten nog een akte getekend met als opschrift “aanvulling overeenkomst van maatschap”. In deze akte werd over de winstverdeling bepaald dat vennoot I in totaal € 50.000 per jaar zou ontvangen, grotendeels te betalen in maandtermijnen. De vergoeding werd aan vennoot I toegekend wegens de door hem geleverde arbeidsprestatie en voor de inbreng van het gebruik en genot van de onroerende zaken.

In juni 1999 tekenden partijen nog een overeenkomst waarin de winst voor de periode van 1 mei 2008 tot en met 30 april 2009 werd verdeeld. Vervolgens werd de overeenkomst door vennoot I opgezegd bij brief van 11 december 2000.

Maatschapsovereenkomst gelijk aan pachtovereenkomst
Het Pachthof maakt korte metten met de beoordeling van de overeenkomsten als zij zegt: “Reeds uit het samenstel van de beide akten van 20 september 1998 volgt dat sprake is van een pachtovereenkomst in de zin van artikel 1 lid 1 aanhef en onder d Pachtwet.”
In genoemd artikel staat: “Deze wet verstaat onder een pachtovereenkomst: elke overeenkomst, in welke vorm en onder welke benaming ook aangegaan, waarbij de ene partij zich verbindt aan de andere partij tegen voldoen van een tegenprestatie een hoeve of los land in gebruik te verstrekken ter uitoefening van de landbouw.”

Het feit dat vennoot I zegt werkzaamheden te hebben verricht op en rond de grond en de gebouwen is volgens het Pachthof niet relevant, omdat vennoot I naar zijn eigen zeggen daartoe niet verplicht was. De feiten dat vennoot I juist wilde voorkomen dat er sprake zou zijn van een pachtovereenkomst; dat vennoot I het risico liep van een naheffing in het kader van de mestwetgeving en dat vennoot I vanwege de financieringsvoorwaarden niet bevoegd was tot verpachting leiden niet tot de conclusie dat vennoot II in dit geval op grond van de redelijkheid en billijkheid geen beroep zou mogen doen op het bestaan van een pachtovereenkomst.

Het is niet de titel “overeenkomst van maatschap”die bepaalt met wat voor overeenkomst we te maken hebben, maar het is de inhoud die dat bepaalt. In het bovenstaande geval ging het om een pachtovereenkomst. (mr. G. Krale)

Meer informatie Uitspraak van het Pachthof

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.