Home

Achtergrond 1886 x bekeken

Vrije waarde voor berekening legitieme portie niet redelijk

In de landbouw is het bij bedrijfsopvolging gebruik dat de opvolger, al dan niet via een maatschap, het ouderlijke bedrijf tegen een lagere dan vrije economische waarde overneemt. Niet alleen fiscaal maar ook voor de verhouding tussen erfgenamen kan echter een overname tegen een lage prijs gevolgen hebben. De Hoge Raad wees daarover op 13 februari 2004 een interessant arrest.

Bij het overlijden van ouders hebben de kinderen recht op een zogenaamde legitieme portie. Dit is het deel van de erfenis waarop kinderen ten minste aanspraak kunnen maken, uitgedrukt in contanten. De legitieme portie is in het nieuwe erfrecht de helft van het normale kindsdeel. Bij de berekening van de legitieme portie moeten behalve de waarde van de goederen in de nalatenschap ook worden meegenomen de gedane giften. In het nieuwe erfrecht dat sinds 1 januari 2003 geldt, is een speciale regeling getroffen voor bedrijfsopvolgers. Deze hebben het recht het bedrijf tegen een redelijke prijs onder nader te stellen voorwaarden over te nemen. Het oude erfrecht kende een dergelijke regeling niet. Veel kwesties over erfenissen lopen al geruime tijd. Daarvoor geldt nog het oude erfrecht. Daarover deed de Hoge Raad uitspraak.

Onredelijk om uit te gaan van de vrije waarde voor bepaling kindsdeel
Vader en een zoon hadden een melkveebedrijf in een vennootschap onder firma. Bij het einde van de vennootschap had de zoon het recht het bedrijf tegen een lage prijs over te nemen. De vennootschap was aangegaan voordat het melkquotum was ingevoerd zodat daarover geen regeling was getroffen. De erfgenamen stelden zich op het standpunt dat de bedrijfsopvolger was bevoordeeld en dat deze bevoordelingen moesten worden meegenomen bij de berekening van de legitieme portie. De bedrijfsopvolger verzette zich daartegen. De Hoge Raad geeft aan dat van belang is wat er in de vennootschapsakte is geregeld. In die akte was bepaald dat overgenomen mocht worden tegen de agrarische waarde. De Hoge Raad verstaat daaronder de waarde waarbij voortzetting van de exploitatie nog juist haalbaar is.

Voor de vraag of er bevoordelingen zijn die meetellen bij de berekening van legitieme vindt de Hoge Raad de tekst van de vennootschap akte van groot belang. Als de vennootschap is aangegaan met het oogmerk van continuïteit van de onderneming dan is redelijk en billijk dat de agrarische waarde ook geldt voor het melkquotum ofschoon dit niet met zoveel woorden is geregeld. Het gaat er immers om dat de intentie van partijen was dat de vennootschap onder firma zou kunnen worden voortgezet. Het zou onredelijk en onbillijk zijn van de andere kinderen om bij de waardering van het bedrijf uit te gaan van de waarde in het economisch verkeer. De bedrijfsvoortzetting moet nog juist lonend zijn.

In dit specifieke geval ontbrak bovendien een meerwaardeclausule. Het ontbreken van een dergelijk clausule kan eveneens leiden tot het aannemen van een schenking. Het niet opnemen van de meerwaardeclausule in een vennootschapsovereenkomst kan dus leiden tot het aantasten van de legitieme rechten van de andere kinderen.

Vennootschapcontract van belang bij bepaling legitieme portie
In de landbouw wordt steeds vaker geprocedeerd over nalatenschappen. De waarde in het economische verkeer van agrarische bedrijven is met name bij melkveebedrijven de afgelopen 15 jaar enorm gestegen. De Hoge Raad heeft nu in elk geval uitgemaakt dat het onredelijk kan zijn om zonder meer uit te gaan van die vrije waarde voor de bepaling van de kindsdelen. Daarbij zijn wel de feiten en omstandigheden van het specifieke geval van belang. De omvang van het bedrijf, het al dan niet opnemen van meerwaarde clausules, de rentabiliteit van het bedrijf, dit alles zijn omstandigheden die mee kunnen wegen bij de vraag of bevoordeling plaatsvindt. In die gevallen waarin nooit een maatschapsovereenkomst is gesloten en dus ook geen lage waarderingsgrondslagen zijn afgesproken is het de vraag of ook hier de zogenaamde agrarische waarde moet gelden. In de jurisprudentie zijn gevallen bekend dat in dergelijke situaties voor de bepaling van de legitieme rechten uitgegaan moet worden van de waarde in het economisch verkeer. Eens te meer blijkt dat bedrijfsopvolging in de landbouw niet alleen een zaak is van de ouders en de opvolgers, maar ook van de andere kinderen.

Als gezegd om het nieuwe erfrecht gedeeltelijk tegemoet aan de wensen van de bedrijfsopvolger. Het bovenstaande is geschreven voor onder het oude recht opengevallen nalatenschappen (mr. F.W. van Dijk).

Meer informatie Uitspraak Hoge Raad

Copyright © Agrocount.nl

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.