Home

Achtergrond 891 x bekeken

Voortzettingsperiode van ten minste vijf jaar zorgt voor problemen bij maatschap

Het stof rondom de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de Successiewet begint langzaam neer te dalen. Veel is inmiddels duidelijk geworden. Maar misschien wel nog meer is nog steeds onduidelijk. Zo zorgt het begrip ‘voortzetting’ (toch een van de centrale begrippen in de bedrijfsopvolgingsfaciliteit) voor grote problemen. Met name bij maatschappen kunnen er flinke problemen ontstaan.

Voortzetten is verplicht om gebruik te maken van opvolgingsfaciliteit
Om in aanmerking te komen voor de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de Successiewet moet de verkrijger de onderneming een poosje voortzetten. Ten minste vijf jaren, zo lezen we in de wet. Dat is logisch. Het geeft geen pas om van de faciliteit te profiteren, de dag daarna de hele handel te verkopen, om er vervolgens met de poen vandoor te gaan. De Successiewet meldt dat van belang is of de overnemer op enig moment ‘ophoudt winst te genieten’. De Staatssecretaris zoekt daarvoor aansluiting bij het stakingsbegrip in de inkomstenbelasting. Wie de boerderij verkoopt zet niet voort, dat is duidelijk. Het gevolg is dat men alsnog een aanslag voor het recht van schenking of het recht van successie aan de broek krijgt. Maar er zijn ook minder duidelijke gevallen van (niet) voortzetten.

Sommige gevallen van niet-voortzetten worden door de vingers gezien. Bij overlijden wordt de onderneming uiteraard niet voortgezet. Maar het is niet rechtvaardig dat doodgaan binnen vijf jaar na de overname een extra belastingaanslag tot gevolg heeft. De staatssecretaris heeft daarom in art. 7d Uitvoeringsregeling Successiewet een aantal gevallen genoemd waarbij weliswaar niet wordt voortgezet, maar waarvoor toch een tegemoetkomende regeling bestaat. Zo wordt onder voorwaarden ontheffing verleend van het voortzettingsvereiste in geval van inbreng in een BV, geruisloze terugkeer uit de BV, overlijden van de overnemer (waarbij de erfgenamen dan de periode van vijf jaren moeten volmaken) en in geval van bedrijfsverplaatsing door overheidsingrijpen.

Problemen ontstaan bij aangaan maatschap met partner na overname
Na het Besluit van 16 maart 2004 (onderdeel C. Voortzetten) is opschudding ontstaan, nu duidelijk is geworden dat geen tegemoetkoming wordt verleend als de ondernemer binnen vijf jaar na de overname een maatschap aangaat. Dat is ook het geval als men een maatschap aan wil gaan met de echtgenoot of partner. Zelfs als men de stille reserves die men doorgeschoven heeft gekregen bij het aangaan van de maatschap voorbehoudt (en er voor toepassing van de inkomstenbelasting dus geen staking geconstateerd wordt) vervalt de opvolgingsfaciliteit voor de Successiewet. Wie een beroep doet op de faciliteit moet dus goed bedenken dat de verkregen onderneming de eerste vijf jaren niet in maatschapsverband met de partner gedreven kan worden. Maar het kan nog gekker!

Ook als partner al deelneemt in de maatschap is het mis
In veel gevallen maakt de partner van de overnemer al deel uit van de maatschap. Veel bedrijven worden immers gedreven in de vorm van een maatschap tussen ouders, kind en schoonzoon of schoondochter. Stel dat ouders de onderneming overdragen aan hun kind. Na deze overdracht zal dit kind de onderneming onmiddellijk, wellicht in gebruik en genot, inbrengen in de maatschap met de partner. De maatschap wordt immers voortgezet. Gelet op het voorgaande is dat foute boel. Waarschijnlijk gaat het ook fout als men de onderneming voor de helft overdraagt aan het kind, en voor de andere helft aan schoonzoon of -dochter. In veel gevallen zal men dat overigens niet willen. Maar ook in deze situatie wordt datgene wat door een ieder is verkregen niet volledig en voor eigen rekening voortgezet. Men ‘ruilt’ immers ieder de helft van de eigen verkrijging bij inbreng in de maatschap. De meest voor de hand liggende oplossing lijkt te zijn dat voorafgaand aan de overdracht men schoonzoon of –dochter de maatschap uitzet. Of dat wenselijk is, is een andere vraag.

Pas op met bedrijfsoverdracht bij maatschappen
Gehoopt moet worden dat de Staatssecretaris inziet dat de nu voorliggende uitkomst onwenselijk is, en een verdere samenwerking van de ondernemer met zijn of haar echtgenoot/partner blokkeert. Het Besluit van 16 maart is echter duidelijk. Gewacht moet worden of de Staatssecretaris van zijn dwaling terugkeert. Tot die tijd is de grootst mogelijk voorzichtigheid geboden met het aangaan of voortzetten van een maatschap in geval van een gefacilieerde bedrijfsovername. Gaat dit mis, dan zijn de financiële gevolgen niet te overzien en kan de continuïteit van het bedrijf in gevaar komen.

Lees ook Nieuwe reeks besluiten rondom bedrijfsopvolging: een overzicht

Copyright © Agrocount.nl

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.