Home

Achtergrond 573 x bekeken

Meer mogelijkheden voor geruisloze inbreng in BV

Veel agrarische ondernemers die willen emigreren, wensen de bruto verkoopopbrengst van hun Nederlandse onderneming te herinvesteren in het buitenland. In de praktijk blijkt dat – ook als sprake is van een gedwongen bedrijfsverplaatsing – lastig te realiseren. De politiek is pas geleden met voorstellen gekomen om hiermee iets soepeler om te gaan, maar deze lijken het vooralsnog niet te gaan halen. Recente rechtspraak biedt echter mogelijkheden.

Een mogelijke oplossing om toch zonder tussentijdse afrekening naar het buitenland te vertrekken zou de oprichting van een BV kunnen zijn. De Nederlandse onderneming wordt belastingvrij (geruisloos of door middel van een stamrecht of een winstrecht) aan de eigen BV verkocht. Deze BV verkoopt na enige tijd deze onderneming, en herinvesteert deze verkoopopbrengst belastingvrij in het buitenland. De Staatssecretaris van Financiën heeft al laten weten niet blij te zijn met deze gang van zaken. Met name wil hij verhinderen dat de faciliteit van de geruisloze inbreng wordt gebruikt (misbruikt in de ogen van de Staatssecretaris) als belastingvrije springplank naar het buitenland.

Recente rechtspraak van de Hoge Raad lijkt voor de Staatssecretaris een spaak in het wiel te steken. Onlangs besliste de HR namelijk dat een geruisloze inbreng ook mogelijk is bij een wijziging van de aard of omvang van de onderneming, al waren dit geen agrarische bedrijven. Met name voor gemengde agrarische bedrijven die de BV opzoeken biedt dit mogelijkheden.

Tot 1997 was het een vereiste om na de omzetting de vennootschap nog 3 jaar voort te zetten. Deze voortzettingseis van 3 jaar ging echter door de HR van tafel. In dit recente arrest sneuvelt wederom een opvatting van de Staatssecretaris. De Staatssecretaris van Financiën was van mening dat indien de inbreng onderdeel uitmaakt van een geheel van rechtshandelingen gericht op de overdracht of liquidatie van de ingebrachte onderneming de faciliteit om geruisloos in te brengen verloren gaat. De Hoge Raad bepaalde echter dat wijziging in de aard en de omvang van de onderneming en ondernemingsactiviteiten geen invloed hebben op de toepassing van artikel 18 Wet IB 1964 zolang het resterende deel van de onderneming maar een onderneming vormt.

Met name voor gemengde agrarische bedrijven (denk hierbij ook aan bedrijven met twee of meer min of meer zelfstandige bezigheden, zoals rundvee en vleesvarkens, akkerbouw annex loonbedrijf en misschien zelfs wel een bedrijf waar naast appels ook peren voortgebracht worden) bieden de recente beslissingen mogelijkheden. Desgewenst kan de tak waar het meeste geld in zit kan door de BV verkocht worden. Zoals gezegd blijft belastingvrij herinvesteren in het buitenland dan mogelijk. De geruisloze inbreng komt daarmee niet in gevaar. Voorwaarde is wel dat er in de BV een bedrijf(je) achterblijft. En ook dat bedrijf(je) kan op termijn verkocht worden. Het verdient vanzelfsprekend aanbeveling om daarmee geen enkel risico te nemen, en zeer geruime tijd te wachten. Met name mogen er – in de ogen van de fiscus – er geen concrete verkoopplannen bestaan voor dit laatste stuk. (mr. S.F.J.J. Schenk)

Lees ook Lijfrenteaftrek bij inbreng in BV alleen bij voortzetting activiteiten

Copyright © Agrocount.nl

Nadere toelichting twee recente uitspraken van de Hoge Raad

Een in de vorm van een eenmanszaak gedreven onderneming bestond uit een tankstation, een garagebedrijf en een autowasserette. De ondernemer wilde geruisloos de BV in, maar verkocht in de oprichtingsfase (de voorperiode) het tankstation. Het tankstation nam 20% van de beschikbare ruimte in beslag en de omzet van het tankstation bedroeg circa 55% van de totale omzet. X bracht de onderneming in en ook de behaalde verkoopopbrengst van het tankstation in de BV. De inspecteur wees het verzoek om geruisloze omzetting in de BV af. Volgens de inspecteur en de Staatssecretaris van Financiën dient de faciliteit van artikel 18 Wet IB 1964 tevens buiten werking te blijven indien sprake is van een geheel van rechtshandelingen, gericht op de overdracht van een wezenlijk deel van de onderneming. Tevens stelt de inspecteur dat de feitelijke activiteiten van de bestaande besloten vennootschap niet in dezelfde lijn liggen als die van de in te brengen onderneming. De Hoge Raad oordeelde echter dat het overgebleven gedeelte van de onderneming samen met de opbrengst van het verkochte gedeelte nog steeds een onderneming vormt. De Hoge Raad geeft aan dat een onderneming ook geruisloos in een BV kan worden ingebracht indien, er wijzigingen in de aard of de omvang van de onderneming en ondernemingsactiviteiten plaatsvinden.

In het andere geval exploiteerde een ondernemer tot in 1996 twee kapsalons. X had de onderneming vanaf 1 oktober 1996 voor rekening en risico van een door hem op te richten BV willen drijven. De BV is met ingang van 1 januari 1997 een commanditaire vennootschap aangegaan met twee derden. De derden werden beherend vennoten en de BV werd commanditaire vennoot. De rol van de oorspronkelijke ondernemer beperkte zich dus in het vervolg min of meer tot geldschieter. Ook deze ondernemer verzocht om toepassing van de geruisloze inbreng. De inspecteur weigerde dit. De HR is het daar ook hier niet mee eens. Ook als na de geruisloze inbreng zich wijzigingen in aard en omvang van de onderneming voordoen kan de fiscale faciliteit worden verleend. Voorwaarde is ook hier dat zich in de BV een onderneming blijft bevinden.

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.