Home

Achtergrond 205 x bekeken

Bedrijfsovername: hoe nu verder?

De problematiek is bekend. Stel dat een boerenbedrijf bij verkoop op de vrije markt € 2 miljoen opbrengt. Met heel hard werken kan op dit boerenbedrijf € 30.000 verdiend worden. Een rendement van maar liefst 1,5%. Alleen maar te behalen in een goed jaar, dat spreekt. Ondanks de magere financiële vooruitzichten willen zoon of dochter het bedrijf graag overnemen. Overname binnen de familie speelt in de agrarische sector in maar liefst 91% van alle gevallen. Maar als de ‘vrije waarde’ op tafel moet worden gelegd, is overname (alsmede vererving en voortzetting) onmogelijk. Rente en aflossing kunnen nooit uit de winst van het bedrijf betaald worden. En als vader (en moeder) minder dan de vrije waarde vragen is sprake van een schenking. Met een aanslag voor het recht van schenking als gevolg. Zo’n belastingaanslag maakt overname meestal ook onmogelijk. Hoe nu verder? Of toch maar de makelaar bellen?

Fiscale faciliteit
Voor de hiervoor omschreven problematiek bestaat al geruime tijd een fiscale faciliteit. Onder voorwaarden gaat de aanslag voor het recht van schenking van tafel. Soms volledig, soms deels. Voor zover er toch betaald moet worden, mag dat vaak ook nog gespreid plaatsvinden. Voorwaarde hierbij is wel dat het boerenbedrijf gedurende een bepaalde periode wordt voortgezet. Wordt het bedrijf binnen die periode verkocht, en vaart het schip met geld binnen, dan moet er alsnog met de fiscus worden afgerekend. Daarnaast moet er in de meeste gevallen door de verkopende ondernemer met ouders, broers en zussen worden afgerekend. Een ‘meerwaardeclausule’ is vandaag de dag eerder regel dan uitzondering.

De hiervoor bedoelde fiscale faciliteit was aanvankelijk opgenomen in de Invorderingswet. Per 1 januari 2002 is deze faciliteit gewijzigd, en opgenomen in de Successiewet. Centraal in de nieuwe regeling staat de waarde van de onderneming, met inachtneming van de verplichting om deze onderneming gedurende een periode van tenminste vijf jaren voort te zetten. Deze waarde, die beter bekend staat als de waarde ‘going-concern’, bepaalt voor een belangrijk gedeelte de omvang van de fiscale faciliteit in geval van een bedrijfsovername.

Hoe moet de going-concern waarde worden bepaald?
Wat is het waardedrukkend effect van de verplichting om nog vijf jaren te blijven boeren? Sommigen vinden dit waardedrukkend effect nihil. Anderen vinden dit effect zo groot dat een overgenomen boerenbedrijf in zo’n geval bijna niets meer waard is. Alles daartussen is verdedigbaar. Om eindeloos gesteggel tussen fiscus en belastingplichtigen te voorkomen is overleg gevoerd door afgevaardigden van het Ministerie van Financiën, de belastingdienst, LTO Nederland, de VLB alsmede het NAJK. Men wilde komen tot een model, waarbij de going-concern waarde forfaitair (en dus niet op individuele basis) werd vastgesteld. Partijen kwamen dicht bij een oplossing, maar dit overleg is eind februari 2003 definitief vastgelopen. Naar verluidt waren partijen er in grote lijnen wel uit, maar kon de pijn niet naar tevredenheid over de deelsectoren worden verdeeld. Tijdens de algemene beschouwingen heeft minister-president Balkenende in antwoord op kamervragen hervatting van het hiervoor genoemde overleg aangekondigd. ‘Het geeft vertrouwen dat alle betrokken partijen in het overleg steeds hebben ingezet op het spoedig bereiken van praktische handvatten voor de waardering van agrarische ondernemingen’, aldus de premier. Hij verwijst tevens naar de steun die de minister van LNV geeft bij het maken van bedrijfsplannen alsmede de verruimde borgstelling.

Maar ondertussen?
Dat de premier hoopvol gestemd is, is plezierig, maar dat is nog wat anders dan een akkoord. Hoe moeten partijen handelen in afwachting van de vurig gewenste zekerheid? Twee oplossingen zijn denkbaar. In de eerste plaats kan men de overname van het bedrijf afhandelen, aangifte doen voor het recht van schenking, en vervolgens tegen de eigen aangifte bezwaar maken. Verder dient voor uitstel van betaling van deze belastingschuld gezorgd te worden. In afwachting van een definitieve wettelijke regeling verzoekt men om uitstel om het ingediende bezwaarschrift te motiveren. Dat uitstel zal verkregen kunnen worden, omdat de belastingdienst zelf de afhandeling van deze bezwaarschriften aanhoudt, in afwachting van meer duidelijkheid. Een tweede mogelijkheid is dat men werkt met (glij)clausules. In het overnamecontract wordt een overnameprijs overeengekomen op voorwaarde dat de fiscus het toegepaste schenkings- en successierecht accepteert. Hierbij zal de overnameprijs dus afhankelijk zijn van de instemming van de fiscus, waarbij men zich de mogelijkheid voorbehoudt om de prijs tot een dusdanig bedrag aan te passen dat deze wel acceptabel wordt in de ogen van de fiscus.

De twee hiervoor genoemde ‘oplossingen’ hebben als voordeel dat men geen moeilijkheden zal krijgen met de belastingdienst. Er is duidelijkheid: men strijdt, maar met open vizier. Zekerheid zal pas kunnen komen met een wettelijke regeling. Daar is het wachten nu op, al geven de recente toezeggingen van de minister-president weer reden tot hoop.

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.