Home

Achtergrond 602 x bekeken

Problemen rondom de nieuwe landbouwvrijstelling

Nieuwe inkomstenbelasting
Op 1 januari 2001 trad een nieuwe inkomstenbelasting in werking. De (gewijzigde) landbouwvrijstelling trad echter per die datum met terugwerkende kracht tot 27 juni 2000 in werking. De wetgever besloot tot deze invoering met terugwerkende kracht om te voorkomen dat veel agrariërs hun grond nog snel (voor 1 januari 2001) belastingvrij zouden verkopen.

Landbouwvrijstelling: oud regime
De tot en met 26 juni 2000 van toepassing zijnde landbouwvrijstelling stelde winst behaald bij verkoop van landbouwgronden vrij. Dit was echter anders indien te verwachten viel dat de verkochte grond ‘voortaan of waarschijnlijk binnenkort’ zijn agrarische bestemming zou verliezen. Deze formule bood de verkopende partij de mogelijkheid de bij de verkoop van de grond behaalde winst belastingvrij te incasseren. Voorwaarde was dan wel dat de verkoopovereenkomst goed was opgesteld. Verder moest de kopende partij de tijd hebben.
Het verkochte perceel mocht niet binnen zes jaar zijn agrarische bestemming verliezen. Anders gezegd: de grond mocht na verkoop niet binnen zes jaar (72 maanden) een niet-agrarische bestemming (bijvoorbeeld woningbouw of industrieterrein) krijgen. Gebeurde dat wel dan werd in de meeste gevallen de verkoopwinst belast. Het hiervoor genoemde ‘voortgezette agrarisch gebruik’ gedurende 6 jaar werd in de meeste verkoopovereenkomsten verzekerd door middel van een boetebeding. Handelde de koper in strijd met dit beding, dan was hij aan de kopende partij een forse boete (ten minste gelijk aan de fiscale schade) verschuldigd.

Landbouwvrijstelling: nieuw regime
De nieuwe landbouwvrijstelling is een ‘recht-toe-recht-aan’ vrijstelling. Tot aan de agrarische waarde (WEVAB) is de waardeontwikkeling van de grond vrijgesteld. Daarboven is de waardeontwikkeling gewoon belast. Bedraagt de prijs meer dan de WEVAB-waarde dan is dit bedrag, wanneer en onder welke voorwaarde dan ook betaald, gewoon belast. De hiervoor genoemde 6-jaars bepaling (in de praktijk beter bekend als de 73 maandsclausule: 6 * 12 = 72 maanden plus een maandje extra voor de zekerheid) verloor hiermee voor nieuwe gevallen zijn betekenis.

Geen overgangsrecht
Bij eerdere wijzigingen van de landbouwvrijstelling (die bijna altijd een beperking betekenden) heeft altijd een overgangsmaatregel gegolden. Op het moment van de wetswijziging aanwezige meerwaarden (die voor de wetswijziging onbelast waren, maar na de wijziging belast zouden zijn, de zogeheten ‘latente meerwaarde’) werden fiscaal ongemoeid gelaten. Slechts waardevermeerderingen die na de wetswijziging ontstonden kregen met de nieuwe fiscale bepalingen te maken. Bij de wijziging van de landbouwvrijstelling in 2000 heeft de wetgever voor een andere aanpak gekozen. Slechts het moment van realisatie (verkoop dan wel overbrengen naar privé) was van belang. Dat betekent dat bij verkoop op of voor 26 juni 2000 de oude landbouwvrijstelling van toepassing is. Bij verkoop op of na 27 juni 2000 daarentegen is het nieuwe regime van toepassing. Onder het oude regime gegroeide winst –die daar onbelast zou zijn gebleven- is door de wetswijziging plotsklaps wel belastbaar.

Heretiketteren
De Staatssecretaris van Financiën heeft medegedeeld dat de inwerkingtreding van de nieuwe inkomstenbelasting een bijzondere omstandigheid is, die rechtvaardigt dat belastingplichtigen voor de bij hen in gebruik zijnde (landbouw)grond (met bijbehorende opstallen) opnieuw mogen kiezen of zij deze grond tot hun privé-vermogen dan wel hun ondernemingsvermogen rekenen. Uiteraard dienen hierbij wel de wettelijke vereisten van goed koopmansgebruik in acht genomen te worden. Voor het van belang zijnde regime (oud of nieuw) was het van belang of dit heretiketteren per 26 juni dan wel per 27 juni 2000 diende plaats te vinden (zie hiervoor). In de praktijk was dit met name van belang voor de ondernemingswoning (met ondergrond en erf) die men tot dan toe tot zijn ondernemingsvermogen had gerekend. De gronden waarop men daadwerkelijk het landbouwbedrijf uitoefent zullen altijd tot het verplichte ondernemingsvermogen behoren.

Grond en/of stenen
Als heretikettering per 26 juni 2000 mogelijk zou zijn was het van belang of enkel de ondergrond van een tot het ondernemingsvermogen behorende woning naar het privé-vermogen overgebracht zou kunnen worden, of dat het slechts mogelijk is om enkel grond én woning over te brengen. Het overbrengen van enkel de grond heeft als voordeel dat er geen inkomstenbelasting verschuldigd zal zijn. De aanwezige meerwaarde in de grond zou immers onder de landbouwvrijstelling (mits het oude regime!) gebracht zou kunnen worden. Indien overbrenging enkel mogelijk is onder de voorwaarden van het nieuwe regime is de vraag naar grond of stenen niet meer van belang. In dat geval zijn alle aanwezige meerwaarden belast.

Ondergrond woning
Een bekend probleem fenomeen in de oude landbouwvrijstelling was de waardeontwikkeling van de ondergrond van de (eerste, tweede of zelfs derde) bedrijfswoning. Indien de onderneming werd gestaakt, maar de ondernemer bleef in dezelfde woning wonen, was er dan sprake van een (belastebare) bestemmingswijziging? Of deed zich zo’n wijziging niet voor nu men bleef wonen in dezelfde woning? In de nieuwe landbouwvrijstelling doet zich dit probleem niet voor nu, omdat een bestemmingswijziging fiscaal niet langer relevant is.

Waarde bewoond
Een ander probleem, dat los staat van de eigenlijke landbouwvrijstelling, maar dat zich wel in dezelfde verhoudingen voordoet is dat van het waardedrukkend effect van zelfbewoning. Wat is een boerderij minder waard dan de vrije waarde, omdat deze woning niet onmiddellijk ‘vrij’ verkocht kan worden. Hoe hoger deze waardedrukkende factor, des te lager zal de winst zijn die bij staking te belasten valt. Ook dit probleem hield belastingplichtigen en fiscus verdeeld.

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.