Home

Achtergrond 1711 x bekeken

Man - vrouw maatschap, meer dan louter fiscaal vehikel

In de agrarische sector is de rol van de echtgenote een prominente. In financieel en juridisch opzicht blijft de positie van de echtgenote echter toch nog al eens onderbelicht. De combinatie van een huwelijk onder huwelijkse voorwaarden en een man - vrouw maatschap vergt jaarlijks "onderhoud". Alleen administreren voor fiscale doeleinden kan fikse problemen veroorzaken. Vooral de jaarlijkse verdeling van inkomsten tussen de echtgenoten wordt in de praktijk nogal eens met de franse slag gedaan, niet in de laatste plaats omdat ook de cliënten zelf zich niet houden aan hun eigen huwelijkse voorwaarden. In geval van echtscheiding of faillissement blijkt slordigheid zijn prijs te hebben. Voor de accountant kan aansprakelijkheid het gevolg zijn.

Bij de jongere generatie is het huwelijk onder algehele gemeenschap van goederen een uitzondering. In de meeste gevallen zijn huwelijkse voorwaarden van toepassing waarbij de vermogens gescheiden blijven. Het jaarlijks na huishoudelijke uitgaven en verzekeringspremies overblijvend bedrag uit de inkomsten wordt verdeeld tussen de echtelieden. Veelal wordt het inkomen in de huwelijkse voorwaarden apart gedefinieerd, niettemin is in de regel de fiscale kwalificatie uit de wet IB 1964 als uitgangspunt genomen. Onduidelijk is hoe Wet IB 2001 met zijn fictieve rendementsheffing, alsmede artikel 12a wet LB (fictief loon voor de directeur grootaandeelhouder), moeten worden behandeld. Voor inkomsten, die uit beleggingen en waardestijgingen van privé (of persoonlijke bedrijfs-) vermogens volgen, is inmiddels wel meer duidelijkheid.

Man - vrouw maatschap
Bij een man - vrouw maatschap wijkt de situatie enigszins af. Immers hier ontstaat wel een gemeenschap van goederen, die wordt echter beperkt door de bepalingen van de maatschap. Niet uitgekeerde winstaandelen zijn wel als gemeenschappelijk te beschouwen. Daar staat tegenover dat in de maatschapsakte veelal bepalingen zijn opgenomen inzake overneming en verblijving. In de regel blijven de onroerende zaken persoonlijk bedrijfsvermogen van de man. Hij heeft in de regel voortzettingsrecht. De vrouw heeft dan geen recht op een aandeel in aangegroeide waarde. De beleggingsleer van de Hoge Raad, zo die onverkort kan worden toegepast in deze, doorkruist dit. Immers, polderlasten, onderhoud, afschrijving en rente worden in de regel vanaf de ondernemings-(maatschaps) bankrekening voldaan. Ook aflossingen aan vader en moeder worden vanuit deze bankrekening voldaan. Bij niet verdeling ontstaat dan volgens deze jurisprudentie een waardeaanspraak voor de echtgenote. Die kan wel eens zeer aanzienlijk zijn, nog afgezien van de omstandigheid dat bewijs voor de stelling dat er geen waardeaanspraak voor de echtgenote in de regel bij de man zal liggen.

Natuurlijk is er niets mis met het meedelen van een echtgenote in waardestijging. Alleen, als de huwelijkse voorwaarden daarin niet voorzien, dan is er toch een afwijking van de oorspronkelijke bedoeling. De accountant zou dat moeten constateren en zijn cliënten er op wijzen dat verdeling is geboden en de gescheiden vermogens zorgvuldig dienen te worden geadministreerd. Laat hij dat na dan zou de benadeelde partij wel eens kunnen besluiten een claim neer te leggen. De accountant heeft aldus niet alleen de man als klant, maar ook de vrouw. (mr. W.P. Keulers)

Hoge Raad gaat niet uit van een gemeenschap van onverdeelde inkomsten

De Hoge Raad heeft in een aantal arresten duidelijkheid verschaft over de wijze van verrekenen van niet jaarlijks verdeelde inkomsten. In dit geval ging het om partijen die in 1972 waren getrouwd onder huwelijkse voorwaarden met een verrekenbeding. De overblijvende inkomsten moesten binnen zes maanden na afloop van het jaar worden verdeeld. Dit had niet plaatsgevonden.

De man had voor zijn huwelijk een woning gekocht, na zijn huwelijk werd de woning geleverd en betaald, via een hypothecaire geldlening op naam van de man. In 1994 werd gescheiden en er was een pro-resto schuld. In de tussentijd was uit niet verdeelde inkomsten rente en aflossing betaald. Het Hof meende dat bij de verdeling de waarde van de woning moest worden genomen minus het restant van de lening. De Hoge Raad besliste anders. Er moet worden bezien welk deel van de rente, aflossing en andere kosten ten laste van onverdeeld gebleven inkomen is gekomen en naar evenredigheid dient de aangegroeide meerwaarde dan te worden verdeeld. De Hoge Raad heeft gekozen voor de zogenaamde beleggingsleer.

Meer informatie Volldige uitspraak van de Hoge Raad

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.