Home

Achtergrond 371 x bekeken

Renteaftrek lening aan maatschap in gelijke delen aan de maten toerekenen

Sinds 1 januari 1996 exploiteren een echtpaar en hun zoon in maatschapsverband een vleeskuikenbedrijf. De zoon wil echter in de Verenigde Staten een bedrijf beginnen. Ten behoeve daarvan verstrekt een bank een lening aan de man, de vrouw en de zoon als leden van de maatschap verstrekt. In 1997 wordt daarop fl. 23.147 rente verschuldigd, die de man geheel aftrekt. De inspecteur geeft later wel toe dat het hier bronrente betreft, maar stelt dat de rente slechts voor 2/3 door de ouders verschuldigd was en voor 1/3 deel door de zoon. Dat bestrijden zij tevergeefs. De lening gaat voor 1/3 deel de zoon aan.

Belanghebbende, zijn echtgenote en zijn zoon oefenen in maatschapsverband een vleeskuikensbedrijf uit. Belanghebbende heeft bij de inbreng van de onderneming in de maatschap de economische eigendom van de bedrijfsgebouwen en grond aan de Aweg 1 te Y ingebracht onder voorbehoud van de stille reserves.

De zoon wilde in de Verenigde Staten een onderneming opstarten. In maart 1997 heeft een bank een krediet van ƒ 900.000,- verstrekt, ondertekend door de drie personen afzonderlijk en als de leden van de maatschap. Als zekerheid diende onder meer de onroerende zaken aan de Aweg 1 te Y. Belanghebbende heeft het bedrag ad ƒ 900.000,- tot zijn privévermogen gerekend en dit bedrag vervolgens in 1997 doorgeleend aan de zoon ten behoeve van de door de zoon op te starten onderneming in de Verenigde Staten.

Aan rente betreffende de lening van de bank is ƒ 23.147,- betaald. Bij de aangifte is een bedrag van ƒ 23.147,- aan rente betreffende de schuld aan de bank in aftrek gebracht. Volgens de Inspecteur is dan wel geen sprake van consumptieve rente, zoals belanghebbende in zijn bezwaarschrift stelde, maar is de lening bij de bank door de ouders én de zoon aangegaan en dient bij ieder van hen voor slechts 1/3e deel renteaftrek plaats te vinden. Omdat belanghebbende het hoogste persoonlijke inkomen heeft is het gedeelte van zijn echtgenote bij hem aftrekbaar.

Hetgeen de ouders méér aan rente hebben betaald dan hun aandeel in de lening kan niet tot de aftrekbare kosten van artikel 35, eerste lid van de Wet worden gerekend, omdat deze uitgaven op de zoon zullen worden verhaald. Nu 1/3e gedeelte van de aan de bank verschuldigde rente door de ouders op de zoon zal worden verhaald, is ten aanzien van belanghebbende voor dit gedeelte geen sprake van drukkende kosten, zodat slechts 2/3e gedeelte van ƒ 23.147,- oftewel ƒ 15.432,- in aftrek kan worden gebracht.

Meer informatie Volledige uitspraak van het Hof

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.