Home

Achtergrond 137 x bekeken

Moment wanneer iemand belanghebbende is, is verruimd

Artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening biedt de mogelijkheid een belanghebbende (bijvoorbeeld een eigenaar van een gebouw) de schade die hij lijdt door de bepalingen van een bestemmingsplan te verhalen op de gemeente. Deze regel lijkt simpel, maar blijkt in de praktijk wel vragen op te roepen. De belangrijkste vraag is uiteindelijk wanneer je er wel en wanneer je er geen recht op hebt. Dat blijkt nauw te komen, maar is door onderhavige uitspraak iets verruimd.

De gemeente Heerde had een tijdelijke vrijstelling verleend om af te wijken van een bestemmingsplan ten behoeve van de bouw van een schermhal. Iemand, die in de buurt woonde van de plaats waar de schermhal zou verrijzen stelde dat zijn woning minder waard zou worden door de aanwezigheid van de schermhal en deed een verzoek aan de gemeenteraad om deze schade te vergoeden.

Het bijzondere was, dat de eigenaar die om schadevergoeding verzocht, de woning waarover het ging op 2 juni 1999 had verkocht en bij de notaris had geleverd, terwijl het besluit van de gemeente om de vrijstelling te verlenen onherroepelijk was geworden op 3 juni 1999.

De gemeente en rechtbank wezen eerder het verzoek tot schadevergoeding af. De Raad van State besliste nu echter anders. Dat is een omslag in de rechtspraak. Vaste rechtspraak kan tot een voorspelbare afloop leiden, maar dat hoeft niet. Zeker in geval van wetswijzigingen kan het zinvol zijn één en ander nog eens goed tegen het licht te houden.
(Mr. G. Krale)

Toelichting op uitspraak Raad van State

Zowel de gemeenteraad als de rechtbank waren eerder van mening dat het verzoek om schadevergoeding moest worden afgewezen, omdat de peildatum waarvan je zou moeten uitgaan om vast te stellen of iemand nog belanghebbende is, de datum is van het onherroepelijk worden van het besluit van de gemeente. In dit geval was het besluit om vrijstelling te verlenen onherroepelijk geworden op 3 juni 1999. Volgens de gemeenteraad en de rechtbank had de verzoeker geen recht meer op een schadevergoeding omdat hij de woning immers op 2 juni 1999 had verkocht en geleverd. Verzoeker was geen belanghebbende meer.

Deze beslissingen van de gemeenteraad en de rechtbank waren niet onlogisch omdat de hoogste rechter in deze zaken – de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State – tot aan de dag van 15 januari 2003 op grond van dezelfde overweging tot dezelfde conclusie was gekomen.

Deze hoogste rechter besliste nu echter anders dan verwacht. Het criterium wat de afdeling nu gebruikte was niet meer het onherroepelijk worden van een besluit, maar het van kracht worden van een besluit. Het verschil is dat tegen een onherroepelijk besluit je geen bezwaar op beroep meer kunt instellen, terwijl dat in sommige gevallen nog wel mogelijk is na het van kracht worden van een besluit. Het moment waarop een besluit onherroepelijk wordt, kan dus later zijn dan het moment waarop het besluit rechtskracht krijgt. Het kan samenvallen, maar het hoeft niet. In dit geval had het besluit rechtskracht gekregen vòòr 2 juni 1999, maar was het onherroepelijk geworden na 2 juni 1999. De verzoeker was volgens de Afdeling derhalve wel belanghebbende en de gemeente moest het verzoek opnieuw in behandeling nemen en de eventuele schade vergoeden.

De motivatie van de Afdeling is een technische. Eenvoudig gezegd komt het er op neer dat tot 1994 met het instellen van beroep tegen een besluit, dat besluit niet kon worden uitgevoerd. Beroep had met andere woorden schorsende werking. Vanaf 1 januari 1994 heeft het instellen van beroep geen schorsende werking meer, maar is meteen of korte tijd later van kracht, tenzij de rechter op verzoek de uitvoering van het besluit heeft geschorst. Deze wijziging in de systematiek van de Algemene Wet Bestuursrecht is er de oorzaak van dat de Afdeling om ging.

Meer informatie Volledige uitspraak Raad van State

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.