Home

Achtergrond 220 x bekeken

Mogelijkheden vrijstelling overdrachts- belasting bij bedrijfsoverdracht

Een agrariër die zijn onderneming overdraagt krijgt met tal van belastingen te maken. Denk hierbij aan de inkomstenbelasting, het recht van schenking en het successierecht. Ook de overdrachtsbelasting kan betrokkenen voor grote problemen plaatsen. In de praktijk valt dat gelukkig mee. De overdrachtsbelasting kent namelijk een vrijstelling indien kinderen (alsmede pleeg- of kleinkinderen, alsmede hun echtgenoten) onroerend goed van hun ouders overnemen. Voorwaarde daarbij is wel dat het onroerend goed behoort tot een onderneming van de ouders, die door de kinderen in haar geheel wordt voortgezet. De woning van de ondernemer kan overigens niet met een beroep op deze vrijstelling worden verkregen. Dat is ook het geval indien deze woning tot het ondernemingsvermogen behoort.

Het belang voor de praktijk van de hiervoor genoemde vrijstelling (art. 15 eerste lid onderdeel b WBR) kan moeilijk overschat worden. Uit een recent in opdracht van de GIBO Groep gehouden onderzoek blijkt dat in de agrarische sector in meer dan 90% van alle gevallen de bedrijfsopvolger uit de directe familie afkomstig is. Andere overdrachten binnen de familie (denk aan overname tussen broers, of de overname tussen oom en neef) delen echter niet in de vrijstelling. Ook een overdracht tussen in gezinsverband samenlevende personen, die echter – in juridisch opzicht – geen gezin vormen is niet vrijgesteld. Maar valt voor de hiervoor genoemde beperking van de vrijstelling tot kinderen wel een goede reden aan te voeren? Is hier geen sprake van niet-toegestane discriminatie?

Beroep op discriminatie
Twee jaar geleden besliste het Bossche Gerechtshof dat als personen in gezinsverband samenleven de in art. 15 eerste lid onderdeel WBR opgenomen beperking (tot familieleden) onverbindend is. De beperking zou in strijd zijn met het in enkele mensenrechtenverdragen terug te vinden discriminatieverbod. Naar nu blijkt is de Hoge Raad het hier niet mee eens. In de visie van de Hoge Raad mag de wetgever de vrijstelling beperken en afbakenen tot een beperkte familiekring. De wetgever heeft een zekere beoordelingsvrijheid bij het maken van deze keuze. Die vrijheid is in dit geval niet overschreden. De uitspraak van Gerechtshof werd door de Hoge Raad vernietigd. Daarmee zijn we weer terug bij af. Zijn er nu nog alternatieven?

Andere mogelijkheden voor vrijstelling
Een mogelijkheid om de overdrachtsbelasting te ontlopen schuilt in het erfrecht. De verkrijging krachtens erfrecht is immers geen verkrijging voor toepassing van de overdrachtsbelasting. Zo kan de senior zijn bedrijf (of andere onroerende zaken) aan de opvolger legateren. Als voor dit legaat een gelijkwaardige tegenprestatie moet worden geleverd (het zogeheten ‘legaat tegen inbreng’) zijn er geen gevolgen voor het successierecht. Maar ook dan blijft de overdrachtsbelasting buiten beeld.

Is er voor het successierecht wel een belaste verkrijging, en voeren partijen een gezamenlijke huishouding, dan bestaat vaak recht op een verhoogde vrijstelling en een verlaagd tarief. In het berechte geval was zowel sprake van een tweerelatie (huwelijk tussen bedrijfsopvolger en diens echtgenote) als van een ‘meerrelatie’ (gezamenlijke huishouding tussen alle betrokkenen). Een tweerelatie staat voor toepassing van de Successiewet niet aan een meerrelatie in de weg. Dat had mogelijkheden geboden. Aan bedrijfsopvolging door vererving zijn echter nadelen verbonden. Zo heeft tot aan het moment van overlijden niemand zekerheid. Als partijen echter vertrouwen in elkaar hebben is vererving zeker een alternatief voor verkoop. Zeker als zo (overdrachts)belasting bespaard kan worden.

Lees ook Overdrachtsbelasting verschuldigd bij overdracht aan "zoon"

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.