Home

Achtergrond 299 x bekeken

Gedupteerde Staten bevoegd gezag bij brijvoer

De Raad van State heeft opnieuw de uitspraak gedaan dat Gedeputeerde Staten (GS) het bevoegd gezag is voor de behandeling van een aanvraag milieuvergunning voor een varkensbedrijf met opslag voor meer dan 50 kuub bijproducten. Want bijproducten werden aangemerkt als afvalstoffen. Wat betekent behandeling van een aanvraag milieuvergunning door GS in de praktijk?

Bij de provincie is een gebrek aan capaciteit en benodigde kennis. Hierdoor zal de behandeling van dergelijke aanvragen uitbesteed worden, met tijdverlies als gevolg. Als de gestelde termijn van 26 weken overschreden wordt, dan geldt dit als een fictieve weigering. Dit betekent dat in beroep kan worden gegaan tegen de fictieve weigering. GS krijgt dan een termijn opgelegd waarbinnen het moet beschikken.

De procedure en vergunning zijn hetzelfde als bij behandeling door de gemeente. Echter aangezien bijproducten nu als afval zijn aangemerkt, zijn er wel bepaalde voorschriften uit de Wet milieubeheer van toepassing die beperkend kunnen werken. Als er sprake is van afval mag een vergunning maar tijdelijk verleend worden en is dus niet definitief. Dit kan wellicht problemen opleveren met banken. Daarnaast is de afvalverordening van toepassing en die bevat extra eisen. Dit eisenpakket verschilt echter per provincie. De provincie zal formeler te werk gaan dan een gemeente, aangezien er meer afstand is tussen de aanvrager en het bevoegd gezag. In situaties waar de gemeente bereid was mee te werken kan dit nadelig uitpakken. Echter in situaties waar een gemeente de vergunning liever niet wil verlenen is dit een voordeel.

Op basis van artikel 2:3 Algemene Wet bestuursrecht moeten gemeenten onverwijld doorsturen naar het bevoegd gezag. De verantwoording voor het doorsturen van de aanvraag milieuvergunning ligt dus bij de gemeente. De vraag blijft of de datum van ontvangst bij de gemeente of de datum van ontvangst bij de provincie de aanvraagdatum wordt. De wet geeft hierin geen duidelijkheid en ook de jurisprudentie niet. Hier zal dus de RvS duidelijkheid moeten gaan verschaffen.

Zijn alle bijproducten afval?
Het gevaar bestaat dat gemeentes direct alle aanvragen inzake brijvoerbedrijven doorsturen naar de provincie. De uitspraak geeft echter geen antwoord op de vraag of alle bijproducten aangemerkt moeten worden als afval. Een discussiepunt is bijvoorbeeld of bijproducten die geleverd worden door een erkend voerleverancier wel onder de definitie afval thuishoren. Voor de leverancier van de bijproducten is er namelijk geen sprake van afval, maar van een product. Valt dit niet onder afval dan kan de gemeente gewoon de aanvraag behandelen. Hierover zal ook duidelijkheid moeten komen. (Evelyne Coopman)

Meer informatie Uitspraak van de Raad van state

Inmiddels verleende vergunningen blijven waarschijnlijk gehandhaafd

Het is onwaarschijnlijk dat verleende vergunningen aangepast zullen worden, gezien het capaciteitsprobleem en kennisgebrek bij de provincie. Een gemeente die dit wil toepassen zal dit alleen doen als ze een bedrijf wil beperken. In theorie kan zowel de gemeente als de provincie de voorschriften wijzigen, echter hier zijn wel sterke argumenten voor nodig. Deze uitspraak is hiervoor niet voldoende aanleiding. Dit blijkt uit artikel 8.23 Wet milieubeheer lid 1: Het bevoegd gezag kan beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en voorschriften die daaraan verbonden zijn, wijzigen, aanvullen of intrekken in het belang van de bescherming van het milieu. En ook uit artikel 8.25 lid 1: Het bevoegd gezag kan een vergunning geheel of gedeeltelijk intrekken indien de inrichting ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt en toepassing van art. 8.23 redelijkerwijs daarvoor geen oplossing biedt.

Een gemeente of de provincie kan in theorie dus de voorschriften wijzigen en wellicht ook nog argumenten aandragen dat het "in het belang van de bescherming van het milieu is". Maar in dat geval zou dat neerkomen op een verkapte intrekking van het vergunde brijvoer, waardoor de gemeente of provincie vervolgens bij de RvS vastloopt op art. 8.25. Uitgangspunt blijft dat aan bestaande rechten niet getornd mag worden. Om bestaande rechten te mogen intrekken geldt namelijk het criterium “ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu” en dit is een zwaar criterium waar men in deze gevallen hoogstwaarschijnlijk niet aan kan voldoen.

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.