Home

Achtergrond 224 x bekeken

Contracteren over bouwvergunning verboden

Het komt nog geregeld voor dat een gemeente die moet beslissen op een aanvraag om bouwvergunning, zich bereid verklaart die vergunning te verlenen op voorwaarde dat de aanvrager aan één of meer gemeentelijke wensen voldoet. Deze hebben vaak betrekking op aspecten van ruimtelijke inrichting, milieubeheer of kostenverhaal. Het maken van (contractuele) afspraken daarover is een dubieuze aangelegenheid omdat in de desbetreffende wetten – zoals de Wet op de Ruimtelijke Ordening, de Woningwet en de Wet Milieubeheer – met het oog op de bescherming van de burger allerlei beperkingen zijn gesteld aan de gemeentelijke regelzucht.

Zo geeft de Woningwet uitputtend aan, wanneer een bouwvergunning mag – en alsdan ook moet – worden geweigerd; is er echter geen wettelijke grond om de vergunning te weigeren, dan moet deze worden verleend. Voorts bepaalt artikel 122 van de Woningwet dat een gemeente geen rechtshandelingen naar burgerlijk recht mag verrichten “ten aanzien van de onderwerpen waarin in hoofdstuk IV van de wet is voorzien”. In genoemd hoofdstuk is onder meer de verlening van bouwvergunningen geregeld.

Artikel 122 Woningwet is uit het oogpunt van rechtszekerheid van groot belang. Immers, degene die zich contractueel tegenover de gemeente zou (moeten) verbinden tot prestaties die samenhangen met de bouw waarvoor vergunning wordt gevraagd, zou op die manier verstoken blijven van de mogelijkheden van bezwaar en beroep die openstaan tegen eventuele hem onwelgevallige voorschriften die – onder beperkingen – aan een bouwvergunning kunnen worden verbonden.(Mr. R.J. Lucassen)

Uitspraak Hoge raad over opgelegde verplichtingen van gemeente

Onlangs moest de Hoge Raad eraan te pas komen om een gemeente tot de orde te roepen die met een tuinbouwbedrijf een overeenkomst had gesloten waarbij laatstgenoemde zich op straffe van een forse boete tegenover de gemeente had verplicht om - ter verkrijging van een bouwvergunning voor een bedrijfswoning - zijn bedrijfscentrum op het terrein enigszins te verplaatsen, een ontsluitingsbrug aan te leggen, 4000 m² glas te realiseren en een op het bedrijf aanwezige salonwagen te verwijderen of te slopen. Deze activiteiten waren nauwkeurig omschreven en de beoordelingscommissie was van oordeel dat eerst na uitvoering van deze activiteiten sprake zou zijn van een situatie waarin de bouw van een bedrijfswoning noodzakelijk kon worden geacht voor een doelmatige bedrijfsvoering. Dit laatste was volgens het geldende bestemmingsplan het toetsingscriterium voor verlening van de vereiste vrijstelling voor de bouw van een bedrijfswoning. De agrariër had de overeenkomst onder protest getekend.

Een maand na het sluiten van de overeenkomst werd de bouwvergunning verleend (uit de uitspraak blijkt dat de hiervoor genoemde activiteiten toen al waren verricht). Vervolgens stapte de agrariër naar de burgerlijke rechter en vorderde vernietiging van de overeenkomst. De gemeente verweerde zich met het argument dat de overeenkomst geen voorwaarde was voor verlening van de bouwvergunning, maar “voor de bereidheid van de gemeente om van een nog niet met de realiteit strokende bouwvergunningaanvraag uit te gaan”. Anders dan de Rechtbank oordeelde het Gerechtshof dat de handelwijze van de gemeente niet door de beugel kon en vernietigde alsnog de overeenkomst wegens strijd met artikel 122 Woningwet. Het tegen die uitspraak ingestelde cassatieberoep werd door de Hoge Raad verworpen.

Omdat de agrariër prestaties heeft verricht die hij achteraf geoordeeld niet had behoeven te verrichten, zal hij zijn daardoor geleden schade in principe op de gemeente kunnen verhalen. Voor de (overigens: iedere) gemeente is deze uitspraak een lering dat het verlenen van een bouwvergunning niet via een privaatrechtelijke overeenkomst afhankelijk kan worden gesteld van door de vergunningaanvrager te verrichten prestaties. Als een gemeente aan een vrijstelling voorwaarden wil verbinden of aan het bouwplan nadere eisen wil stellen, is dat in veel gevallen wel mogelijk, maar zal zij daarbij de beperkingen van de wet en het bestemmingsplan in acht moeten nemen. (Mr. R.J. Lucassen)Meer informatie Uitspraak van de Hoge Raad

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.