Home

Achtergrond 119 x bekeken

Onduidelijkheid over toepassing nieuwe stanknormen

De Wet Stankemissie kan pas ingaan als de reconstructiegebieden definitief zijn vastgesteld. Het Ministerie van VROM heeft alle gemeenten een brief gestuurd met het verzoek om de nieuwe omrekeningsfactoren mee te nemen. Deze brief heeft echter geen juridische status. Het aan de gemeente om de nieuwe normen toe te passen. Maar nu nog snel een vergunning aanvragen in de hoop op de oude normen te worden beoordeelt lijkt weinig zinvol.

Aangezien de Wet Stankemissie in landbouwontwikkelings- en verwervingsgebieden (hierna te noemen: Wet Stankemissie) pas toegepast kan worden als de reconstructiegebieden definitief zijn vastgesteld, moet volgens het VROM tot die tijd het huidige toetsingskader worden toegepast (Richtlijn 1996, aangevuld met de Brochure uit 1985 en het cumulatierapport). Een aanvulling op de Wet Stankemissie zijn de nieuwe omrekeningsfactoren. Aangezien deze omrekeningsfactoren beschouwd kunnen worden als de meest recente milieutechnische inzichten, geeft het ministerie middels een brief in overweging om ook voor 'de rest van Nederland' deze omrekeningsfactoren toe te passen in plaats van de factoren van de Richtlijn 1996.

Deze brief geeft tevens aan dat in 'de rest van Nederland' de cumulatie gewoon van toepassing blijft. De redenen voor het weglaten van de cumulatie in de Wet Stankemissie zijn specifiek voor de reconstructiegebieden en niet te herleiden tot de nieuw verkregen milieutechnische inzichten. De beoordeling van de cumulatieve stankhinder kan in 'de rest van Nederland' niet achterwege gelaten worden op basis van het argument dat in bepaalde reconstructiegebieden de beoordeling niet meer is voorgeschreven.

Juridische status brief en de gevolgen

Aan de brief van VROM zal hoogstwaarschijnlijk door de Raad van State voorbij gegaan worden. Dit is namelijk ook gebeurt in de uitspraak RVS, 14 mei 2003, nr. 200203938/1. Ook in deze zaak was sprake van een brief van de Staatssecretaris van VROM waarin afgeweken werd van de geldende wetgeving. Hier oordeelde de afdeling dat de brief niets af kon doen aan de tekst en toelichting van het onderhavige Besluit.

De overheid heeft echter toch een ander sterk argument waarom de nieuwe normen gehanteerd moeten worden. In de jurisprudentie staat namelijk ook te lezen dat bij de vergunningverlening altijd uitgegaan moet worden van de meest recente milieutechnische inzichten (AbRvS, 11 september 2002, nr. 200103206/1). Een ander beoordelingskader dan Richtlijn mag, mits gebaseerd op de meest recente, algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten. Deze nieuwe stanknormen zullen naar verwachting ook door de Raad van State beschouwd worden als meest recente milieutechnische inzichten.

Gevolgen van de ontstane situatie
De discussie die door deze brief ontstaat zou voorkomen kunnen worden door de huidige stanknormen aan te passen. Het Ministerie van VROM geeft aan de nieuwe normen niet te willen verwerken in de Richtlijn Veehouderij en stankhinder, aangezien binnenkort het wetsvoorstel voor een landelijke stankwet wordt aangeboden aan de Tweede Kamer. Dat zal echter nog geruime tijd op zich laten wachten.

De gemeente kunnen dus zelf bepalen of ze die nieuwe normen toepassen. Doen ze dat niet, dan kan hiertegen altijd bezwaar worden aangetekend door bijvoorbeeld milieuorganisaties bij de Raad van State. Nu nog snel een aanvraag voor een milieuvergunning indienen om op de oude normen te worden beoordeeld lijkt dan ook weinig zinvol. Als de gemeente de oude normen hanteerd en er niemand bezwaar maakt, dan kan de vergunning worden verleent op basis van deze oude normen. Met name bij zeugen en gespeende biggen zijn de nieuwe normen flink aangescherpt en zullen de problemen ontstaan.

(Evelyne Coopmann / Agrocount)

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.