Home

Achtergrond 465 x bekeken

Geen stakingslijfrente en stakingsvrijstelling bij inbreng onderneming in BV

Een ondernemer had in maatschapverband met een derde een accountantskantoor. Later richtte de ondernemer een BV op waarin zijn maatschapsdeel werd ingebracht. Een deel van het klantenbestand verkocht hij een aan andere derde en verhuurde de rest van het klantenbestand vervolgens weer aan zichzelf. De ondernemer bedong stakingslijfrente en stakingsvrijstelling. Het Hof vond dat onterecht.

Belanghebbende exploiteerde in maatschapsverband met een derde (de heer A) een accountantskantoor in Friesland. Op 26 september 1996 werd door belanghebbende een BV (D BV) opgericht, waarin hij zijn maatschapsaandeel inbracht. Per 1 oktober 1996 werd het Friese klantenbestand door D BV en A verkocht aan een derde (C BV) voor ruim f 0,5 miljoen. D BV verhuurde vervolgens de rest van haar onderneming (de niet-Friese klanten) aan belanghebbende (als eenmanszaak). In geschil was onder meer of belanghebbende terecht een stakingslijfrente van D BV had bedongen.

Hof Leeuwarden oordeelde dat D BV de onderneming van belanghebbende – vanwege het geheel andere karakter - niet had voortgezet. De inspecteur had terecht aftrek van de lijfrentepremie geweigerd. de Aangezien er slechts een gedeeltelijke staking had plaatsgevonden, werd ook ten onrechte de stakingsvrijstelling (f 20.000 of f 45.000) geclaimd. Het beroep was in zoverre ongegrond.

Meer informatie Volledige uitspraak van de rechter

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.