Home

Achtergrond 193 x bekeken

Haken en ogen aan alternatieven voor verleasen van melkquotum

Vanaf het heffingsjaar 2004/2005 wordt het verleasen van melkquotum aan banden gelegd. De vraag is of er juridisch veilige alternatieven zijn voor het verleasen. In de praktijk wordt wel gesproken over het vormen van een maatschap en de overdracht met terugkooprecht. Goede afspraken tussen de twee partijen zijn in ieder geval belangrijk.

Bij samenwerkingsvormen moet gedacht worden aan maatschappen, commanditaire vennootschappen of vennootschappen onder firma. De laatste is vanuit het oogpunt van aansprakelijkheden niet interessant. De gedachte achter deze variant is dat de voormalige verleaser van melk en een nog actieve melkveehouder tezamen met elkaar een samenwerkingsvorm aangaan. De melk kan dan via een zogenaamd verzoek tot samenvoeging als bedoeld in artikel 28 van de Regeling superheffing vanuit een locatie worden geleverd. Een dergelijk verzoek moet worden gedaan aan de Centrale Organisatie Superheffing (COS) die bij de beoordeling daarvan nadere voorwaarden kan stellen.

Het aangaan van een samenwerkingsverband tussen twee melkveehouders, waarbij de ene het quotum jarenlang verleasd heeft en de ander nog praktiserend melkveehouder is, is een hachelijke onderneming. Partijen kennen elkaar meestal onvoldoende en het is de vraag of een dergelijke samenwerking in de praktijk functioneert. Bovendien moet, wil het samenwerkingsverzoek worden gehonoreerd en ook later bij een eventuele controle in stand kunnen blijven, aan de samenwerking daadwerkelijk invulling worden gegeven. ‘Papieren’ maatschappen, waaraan feitelijk geen enkele invulling wordt gegeven, leiden waarschijnlijk tot problemen, zoals ook in het verleden bij de zogenaamde mestmaatschappen is gebleken.

Bovendien is het de vraag of in het licht van artikel 28 van de Regeling superheffing het samenvoegingsverzoek voor dergelijke maatschappen is bedoeld. Het valt zeker niet uit te sluiten dat indien op grote schaal wordt getracht op deze wijze het leaseverbod te omzeilen, het Productschap Zuivel (PZ) daar een stokje voor steekt.
De kans dat het PZ daarbij uiteindelijk bij de bevoegde rechter (het College van Beroep voor het bedrijfsleven) in het gelijk wordt gesteld, is redelijk groot. Al met al zal in de meeste gevallen een dergelijke vorm van samenwerking moeten worden afgeraden.

In de praktijk wordt ook gesproken over een ander alternatief. Voor eigenaren van melkquotum die voor het melkquotum een jaarlijkse vergoeding wensen, kan een overweging zijn om het quotum via een zogenaamde eenmalige pachtovereenkomst permanent over te dragen aan een derde. Hij zal daarbij uitdrukkelijk bedingen dat het quotum na een aantal jaren weer terugkomt. De huurprijs die de verkrijger van het melkquotum moet betalen, wordt dan per jaar betaald.
Een dergelijke vorm van overdracht is in beginsel niet in strijd met de Regeling superheffing. Echter, er moeten wel voldoende zekerheden voor de vervreemder van het melkquotum worden ingebouwd. Het melkquotum moet immers te zijner tijd weer terug geleverd worden en de vervreemder moet zeker weten dat dit ook gebeurt. Daarover dienen contractuele afspraken te worden gemaakt.

Verder moet de overdracht geschieden met een zogenaamde eenmalige pachtovereenkomst en niet middels een reguliere pachtovereenkomst. Bij een reguliere pachtovereenkomst geldt immers ook het Pachtnormenbesluit, dit in tegenstelling tot een eenmalige pachtovereenkomst. Indien bij een reguliere pachtovereenkomst vergoedingen worden bedongen voor melkquotum en deze vergoedingen jaarlijks worden betaald, dan is de kans zeer groot dat het betalen van deze vergoedingen in strijd met het Pachtnormenbesluit en dus ook de Pachtwet wordt gezien.

Overige zaken die contractueel geregeld moeten zijn, hebben betrekking op de wijze van terugoverdracht van het melkquotum, met name indien ook het vetgehalte inmiddels is samengegaan met dat van de gebruiker. Ook anderszins kan het zijn dat kortingen en/of toeslagen op het melkquotum worden vastgesteld. Daarvoor moeten zaken worden geregeld.

Bijzondere aandacht verdient de positie van eigenaren van melkquotum die ook pachtgrond hebben. Zoals bekend, heeft de verpachter in beginsel recht op het melkquotum indien zijn grond heeft bijgedragen tot het tot stand komen van de melkproductie. Permanente overdracht van melkquotum aan een derde door een pachter levert dan ook in de regel wanprestatie op met als gevolg ontbinding van de pacht en uitbetaling van schadeloosstelling. Met name bij verleasende veehouders is vaak nogal wat pachtgrond aanwezig. (Fred van Dijk)

Lees ook Einde aan volledig verhuren melkquotum per 1 april 2004

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.