Home

Achtergrond 311 x bekeken

Geen biologische subsidie door splitsing van het bedrijf

Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven stelt dat van een ondernemer en zijn echtgenoot de twee fruitbedrijven de bedrijfsactiviteiten zo verweven zijn, dat ze moeten worden gezien als één onderneming. De subsidie op grond van de Regeling Stimulering Biologische Productiemethode wordt daardoor ingetrokken omdat de aanvraag geen betrekking heeft op het gehele bedrijf.

De ondernemer exploiteert een fruitteeltbedrijf dan in 1998 een oppervlakte heeft van 15 hectare. Hierop worden appels, peren en kersen geteeld. Voor het jaar 1999 dient hij met het oog op het gaan toepassen van biologische teeltmethoden een aanvraag in op grond van de Regeling Stimulering Biologische Productiemethode. De aanvraag heeft betrekking op 12 hectare waarop appels worden geteeld. Desgevraagd deelt de ondernemer mee dat dit zijn gehele bedrijf omvat waarna de subsidie wordt toegekend.

In het jaar daarna stelt LASER een onderzoek in. Hieruit blijkt dat het deel van de grond waarop peren en kersen worden geteeld door de ondernemer in de loop van 1999 mondeling is verpacht aan zijn echtgenote. De bedrijfsmiddelen voor beide ondernemingen zoals kisten, koelcel en machines bevinden zich in dezelfde bedrijfsgebouwen. De ondernemer verricht verder een aantal werkzaamheden voor de onderneming van zijn echtgenote.

LASER komt op basis van dit onderzoek tot de conclusie dat er op het tijdstip van de subsidietoekenning sprake is van één onderneming. De regeling stelt als voorwaarde dat de aanvraag betrekking moet hebben op de gehele onderneming. Aan deze voorwaarde is niet voldaan omdat de aanvraag van de ondernemer slechts geldt voor het deel waarop appels worden geteeld. De subsidie wordt daarom ingetrokken.

De ondernemer voert aan dat de teelt van kersen al sinds 1997 voor rekening van zijn echtgenote plaatsvindt. De perenboomgaard, die hij aanvankelijk had willen rooien, is aan zijn echtgenote verkocht. Om bedrijfseconomische redenen worden de boekhouding en de inkoop voor beide ondernemingen door hem gedaan. Ter ondersteuning overlegt hij een aantal rekeningen uit de tweede helft van 1999 op naam van zijn echtgenote en accountantsrapporten voor beide ondernemingen over het boekjaar 1998/1999.

Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven is van mening dat in dit geval van één onderneming moet worden gesproken. Weliswaar moet LASER bij de beoordeling hiervan in principe uitgaan van gegevens uit de laatste landbouwtelling (in casu die van mei 1999), maar indien daarvoor goede gronden zin mogen ook andere gegevens in de afweging worden betrokken. Ten tijde van het besluit tot intrekking waren de bedrijfsactiviteiten nog zo verweven, dat er sprake is van één bedrijf. Het beroep is daarom ongegrond.

Meer informatie Uitspraak College van Beroep voor het Bedrijfsleven

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.