Home

Achtergrond 1071 x bekeken

Paarden op een bedrijf vaak privé-sfeer en buiten de landbouwvrijstelling

In de agrarische wereld bestaat van oudsher veel belangstelling voor paarden. Indien een ondernemer paarden houdt of gaat houden heeft dat vaak ingrijpende fiscale gevolgen. De laatste tijd is er over dit onderwerp opvallend veel rechtspraak verschenen. Dit heeft invloed op zowel de inkomstenbelasting, landbouwvrijstelling als de omzetbelasting. Vandaag de gevolgen voor de inkomstenbelasting en landbouwvrijstelling.

Hoewel het mogelijk is dat een ondernemer in zijn (agrarische) onderneming met paarden werkt, ligt het toch meer voor de hand dat het houden van paarden in de privé-sfeer ligt. De welbekende Landbouwnormen 2002 gaan daar dan ook van uit, nu in de normen het volgende te lezen valt:“Paarden worden aangemerkt als privé-vermogen, tenzij er sprake is van feitelijk bedrijfsmatig gebruik. Als een paard tot het privé-vermogen behoort, worden kosten van dekgelden, verzekering, paardenbrok, ruwvoer, dierenarts et cetera als privé-kosten aangemerkt.”

Aangenomen mag worden dat het op de weg van de belastingplichtige ligt om het feitelijk bedrijfsmatig gebruik aannemelijk te maken. Wat onder feitelijk bedrijfsmatig gebruik binnen de agrarische onderneming moet worden verstaan moge duidelijk zijn: met name zal gedacht moeten worden aan gebruik als dek-, trek- of karrenpaard. Worden de kosten van een paard ten onrechte als zakelijk kosten geboekt, dan zal bij een controle een correctie volgen.

Landbouwvrijstelling alleen bij landbouwbedrijf
Verschillende keren is geprocedeerd over de vraag of gronden waarop paarden worden gehouden onder de werking van de landbouwvrijstelling gebracht kunnen worden. De vraag naar de aanwezigheid van een landbouwbedrijf is in de eerste plaats van belang voor de betreffende onderneming zelve. Gaat dit bedrijf tot verkoop van haar gronden over dan zal het bij de verkoop behaalde resultaat onder de werking van de landbouwvrijstelling kunnen vallen, als sprake is van een landbouwbedrijf. In de tweede plaats is een en ander van belang voor de agrariër die (een deel van) zijn landbouwgronden aan een paardenbedrijf verkoopt, en voor de daarbij behaalde winst een beroep wenst te doen op de landbouwvrijstelling. Kan het kopende bedrijf als een landbouwbedrijf worden aangemerkt dan zal in de meeste gevallen de koopsom gelijk zijn aan de WEVAB-waarde van de grond, en daarom volledig onder de landbouwvrijstelling vallen.

Wil de landbouwvrijstelling in de hiervoor geschetste situatie toepassing kunnen vinden dan is het noodzakelijk dat het houden van paarden kan worden aangemerkt als een landbouwbedrijf, een en ander als bedoeld in art. 3.12 tweede lid Wet IB 2001. Deze bepaling luidt als volgt: “–2.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder landbouwbedrijf verstaan een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten van akkerbouw, van weidebouw of van tuinbouw –daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen, bloembollen en paddestoelen –of op het in het kader van veehouderij fokken, mesten of houden van dieren. Met landbouwbedrijf worden gelijkgesteld binnenvisserij en visteelt.”Wil sprake zijn van een landbouwbedrijf dan zal de opbrengst van een dergelijk bedrijf gericht moeten zijn op (menselijke of dierlijke) consumptie, zo is eerder door de Hoge Raad beslist. In deze lijn besliste recentelijk het Hof Den Bosch dat een paardenopfokbedrijf aangemerkt kan worden als landbouwbedrijf. Het hof achtte het van belang dat een paardenopfokbedrijf onder het Productschap voor Vee en Vlees valt en een milieuvergunning 'Agrarische Sector' moet hebben. Ook is een dergelijk bedrijf aangifteplichtig voor de 'Minas-wetgeving'. Bij deze beslissing speelde verder een rol dat paarden die na de opfokperiode minder geschikt waren voor fok of recreatieve doeleinden uiteindelijk geslacht - en dus geconsumeerd - werden. Tegen de beslissing van het Hof is door de Staatssecretaris overigens beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris zal zich ongetwijfeld (mede) gaan beroepen op een beslissing van hetzelfde Hof. In deze uitspraak werd beslist dat bij verkoop van gronden door een agrariër aan een bedrijf houdt zich bezig met het fokken, opfokken en africhten van paarden geen beroep op de landbouwvrijstelling kan worden gedaan. Het Hof was van oordeel dat er bij een dergelijk bedrijf geen sprake is van in het kader van de veehouderij fokken, mesten of houden van dieren.

Los van de vraag of de Staatssecretaris in zijn hiervoor genoemde beroep in cassatie gelijk zal krijgen is het zeker niet zo dat iedere paardengerelateerde activiteit op dit moment een landbouwbedrijf vormt. Een essentieel onderdeel van de activiteiten dient het fokken, opfokken en houden te zijn. Het is daarom niet verwonderlijk dat in de rechtspraak is beslist dat een manege en een springstal niet als landbouwbedrijf aangemerkt kunnen worden.
(mr. S.F.J.J. Schenk)

Meer informatie Recentelijke uitspraak van het Hof Den Bosch
Meer informatie Landbouwnormen 2002

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.