Home

Achtergrond 474 x bekeken

Voorgenomen gebruik bouwwerk reden voor weigering bouwvergunning

Een bouwvergunning werd geweigerd omdat het beoogde gebruik niet in overeenstemming was met de doeleinden waarin de bestemming voorziet. Het bestemmingsplan voorziet alleen in het oprichten van een zelfstandig agrarisch bedrijf. In deze zaak werd dat ernstig betwijfeld.

Zoals bekend, geldt voor reguliere bouwvergunningen het zogeheten limitatief-imperatieve stelsel. Dit houdt in dat de bouwvergunning slechts mag - maar in dat geval ook moet - worden geweigerd, indien het beoogde bouwwerk niet aan de gestelde eisen voldoet. Dat is het geval als het niet voldoet aan de eisen van het Bouwbesluit of de gemeentelijke bouwverordening, dan wel in strijd is met het bestemmingsplan of met redelijke eisen van welstand, dan wel voor het bouwen een monumentenvergunning is vereist en deze niet is verleend.

Een bestemmingsplan kent aan de daarin begrepen gronden bepaalde gebruiksbestemmingen toe. Enkele jaren geleden heeft de Raad van State uitgemaakt dat bij de toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet alleen moet worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kán worden gebruikt, maar ook of de vergunningaanvrager wel de bedoeling heeft om het bouwwerk voor de toegestane gebruiksdoeleinden te gebruiken. Het concrete, beoogde gebruik vormt volgens deze jurisprudentie op voorhand een reden om bouwvergunning te weigeren, indien op grond van de bouwkundige inrichting of anderszins redelijkerwijs valt aan te nemen dat dit gebruik uitsluitend of mede betrekking heeft op andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet.

Deze benadering paste de Afdeling heel recent nog toe in het volgende geval. Aan de ondernemer was een bouwvergunning voor een bedrijfswoning geweigerd. Dit omdat het College van Burgemeester en Wethouders ernstig betwijfelden of hier sprake was van de oprichting van een zelfstandig agrarisch bedrijf, wat een vereiste is volgens het bestemmingsplan. De gronden waarop de ondernemer zijn bedrijf stelde te willen vestigen, waren in eigendom van zijn vader en bleven gedeeltelijk in gebruik bij het bestaande landbouwbedrijf waarin appellant werkzaam was. De boomkwekerij-activiteiten alsook de realisering van het bouwplan zouden worden gefinancierd door de maatschap van ondernemer en zijn vader. Door dit samenstel van omstandigheden kon niet worden gezegd dat het door appellant beoogde gebruik van de woning dienstig zou zijn aan een nieuw op te richten, zelfstandig agrarisch bedrijf. De bouwvergunning voor de bedrijfswoning was volgens de Afdeling derhalve terecht geweigerd wegens strijdigheid met de planvoorschriften.
mr. R.J. Lucassen

Meer informatie Volledige uitspraak van de Raad van State

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.