Boerenleven

Achtergrond 281 x bekeken laatste update:29 sep 2016

Grondleggers: 'In Groningen ging alles anders'

In hun jeugd was het meeste werk nog handwerk. Toen ze zelf boer werden, gingen ze specialiseren, uitbreiden en mechaniseren. Ze werden zo de grondleggers van de huidige agrarische bedrijfsvoering. Zo ook Piet Boonman.

Links en rechts van de oprit staat afgerijpte tarwe, klaar voor de combine. Daar zal Piet Boonman dit jaar voor het eerst niet op zitten. “Vorig jaar combinede ik het voor het laatst. Je moet zo ontzettend goed je aandacht erbij houden en ik wil niet dat er een keer iets mis gaat.” Ook spuiten, daar waagt hij zich niet meer aan. “Dat is zulk specialistisch werk geworden.” Hij vindt het jammer, want spuiten was altijd één van zijn favoriete werkzaamheden. “Hele dagen in het gewas bezig zijn en zien hoe het erbij staat, ik vond het prachtig.” Dat de middelen van toen, zoals DDT en parathion, wel heel erg giftig waren, daar stond hij niet zo bij stil. “Niemand dacht erbij na. Je roerde er met je blote handen in, zat zonder cabine op de trekker en je was juist blij dat je alle kevers, schimmels en onkruid kon bestrijden.”

Beweeg over de iconen voor meer informatie en foto's.

Foto's: Jan Willem Schouten

De jongste zoon neemt het bedrijf over

In zijn jonge jaren was spuiten er niet bij. Onkruid wieden ging met de hand, zoals alles met de hand ging. Zijn ouders hadden een gemengd bedrijf in Overzande in Zeeland. Als kind wist hij al dat hij boer wilde worden. Het probleem was alleen dat hij de oudste was van zeven kinderen. “En in Zeeland is het gebruikelijk dat de jongste zoon het bedrijf overneemt, niet de oudste.” Piet moest dus plaatsmaken, maar hij kreeg de ruimte net zo lang thuis te werken als hij wilde.

Het bedrijf omvatte 40 hectare, 4 tot 5 melkkoeien en een zeug met 10 biggen die ze zelf afmestten. “Als ze 3 weken oud waren, castreerde ik ze met een scheermesje.”

Zelf couperen

Veulens moesten ook worden gecastreerd. Dat deed Piet niet zelf, maar hij stond er wel bij. “Ik vond het wel heftig, het was toch een groter dier.” Het couperen van de staarten deed hij wel zelf. “We hadden van die Belgische trekpaarden en die vond men gecoupeerd mooier. Dan kwamen de billen beter uit.”

Couperen ging met een soort grote knijptang. “Vlijmscherp en je moest in één keer die staart eraf knippen. Met een heet brandijzer werd de wond dicht gebrand. Zo’n werkwijze zou nu niet meer kunnen, maar je moet die dingen zien in de tijd waarin ze plaatsvonden en toen was het gebruikelijk.”

Ploegen met paard. Rechts achteraan staat een trekker. Beide werden in het begin naast elkaar gebruikt.<br /><em>Foto's: Jan Willem Schouten</em><br /><br />
Ploegen met paard. Rechts achteraan staat een trekker. Beide werden in het begin naast elkaar gebruikt.
Foto's: Jan Willem Schouten

Blij met eerste trekker

Net na de oorlog arriveerde via de Marshallhulp een eerste trekker, een Fordson. “Er zat nog geen aftakas op en ook geen hefinrichting. We hingen de paardenwerktuigen erachter en daar gingen we. Het paste niet goed, het was behelpen, maar we waren er zó blij mee. Die trekker was een groot geschenk.”

Piet was 25 jaar toen hij het ouderlijk huis verliet om zelfstandig boer te worden. “Want dat was toch wat ik wilde.” Hij had al overwogen om in Canada een bedrijf te beginnen. “Maar dat praatte mijn moeder me snel uit mijn hoofd.” Toen Piet verkering kreeg met een boerendochter uit een naburig dorp, vergat hij Canada en richtte zijn blik op Groningen. “Sien Vermue, mijn meisje, had daar namelijk familie.”

In Zeeland kregen de paarden een zwaar juk om, in Groningen niet. Piets vader vond dat maar 'onaangekleed.'
In Zeeland kregen de paarden een zwaar juk om, in Groningen niet. Piets vader vond dat maar 'onaangekleed.'

Vooroordelen

Niet iedereen begreep zijn keuze. “Mensen vroegen zich af wat Piet tussen die stugge Groningers moest? Allemaal vooroordelen waar niks van waar was.” Uiteindelijk kwam hij in Baflo terecht, in Noord-Groningen.

Als vreemdeling werd hij aanvankelijk argwanend bekeken. “Het idee was dat ik geld van de kerk kreeg en daarmee mijn bedrijf kon kopen. Ik heb snel duidelijk gemaakt dat het zo niet zat. Ik moest het doen met 100% financiering van de bank.” Het viel nog niet mee om dat rond te krijgen. “Twee mensen moesten borg staan en omdat ze mij nog niet kenden, werd ik extra kritisch bekeken.” Maar het lukte en Piet kon aan de slag met 16 hectare akkerbouw, 14 hectare grasland en 25 melkkoeien. “Een knap bedrijf was het.”

Hij reisde erheen met de trein. Op een van de treinstellen stond zijn trekker, een Fordson Major die hij voor 7.000 gulden had gekocht.

Na de oorlog kwam de eerste trekker. Werktuigen volgden later. Hier is Piet aan het schoffelen.
Na de oorlog kwam de eerste trekker. Werktuigen volgden later. Hier is Piet aan het schoffelen.

Andere manier van werken

Piet werkte de eerste maanden alleen. Sien kwam pas nadat ze getrouwd waren. Ongehuwd samenwonen, dat deed je niet in die tijd.

Het begin was moeilijk, want in Groningen ging alles anders dan Piet gewend was. “In Zeeland ploegde je, verkruimelde de grond en pas dan ging je zaaien. Als je dat hier zou doen, zou de grond na een bui meteen helemaal dichtsmeren. Vandaar dat ze hier na het ploegen rechtstreeks in de kluiten zaaiden. Ik dacht: daar komt niks van terecht. Maar het kwam wel terecht. Het was alleen een andere manier van werken.”

Het was een van de dingen die hij zich had voorgenomen: kijk goed hoe anderen het doen en als je je eigen kop wilt volgen, wacht daar dan een jaar mee. Gaandeweg leerde hij hoe het in Groningen ging. Heimwee? “Daar was ik te druk voor. Maar als ik in het voorjaar in Zeeland moest zijn, liep me het water wel eens in de ogen.”

Opschalen kon mede door de combine. Die werd steeds geavanceerder. Vorig jaar combinede Piet voor het laatst.
Opschalen kon mede door de combine. Die werd steeds geavanceerder. Vorig jaar combinede Piet voor het laatst.

Geen melkkoeien meer

Zes jaar na Piets start in Baflo kwam er een ruilverkaveling. Het was zijn kans het bedrijf te verkopen en elders iets groters te beginnen. Want groeien, dat wilde Piet. “Dan kunnen investeringen makkelijker uit, zoals een tweede trekker.” In Midwolda nam hij een bestaand pachtbedrijf van 70 hectare over. Een puur akkerbouwbedrijf, de melkkoeien stootte hij af. Een paar jaar hield hij er nog meststieren naast, omdat het anders zo kaal was in de schuur. Hij grinnikt: “Rijk ben ik er niet van geworden, maar die tak hield me wel leuk bezig.”

Met Sien kreeg hij 3 zoons en 5 dochters. “Het was al snel duidelijk dat de jongens interesse hadden voor het bedrijf.” Zodra het kon, ging Piet met hen in maatschap. Korte tijd later sloeg het noodlot toe. Tijdens een zwempartij in de Eems verdronk de tweede zoon. Er staat daar een sterke stroming en hij was in een soort draaikolk terechtgekomen. Deze tragedie achtervolgt Piet nog steeds. “Het was een onnatuurlijk gebeuren.”

Piets zoons telen nu op 300 hectare voornamelijk graan voor de ruim 21.000 vleesvarkens op twee locaties.
Piets zoons telen nu op 300 hectare voornamelijk graan voor de ruim 21.000 vleesvarkens op twee locaties.

Vleesvarkens erbij

Om voor de derde zoon genoeg werk te genereren, wilde Piet er vleesvarkens bij gaan houden. Er kwamen bezwaren, dorpsbewoners waren bang voor stank en dode varkens langs de weg. “Dat was onwetendheid. We legden uit hoe het ging, daarna waren de meeste bezwaren weg en kregen we de vergunning.” Piet begrijpt de weerstand wel. “Als de wind verkeerd stond, konden ze het in het dorp ruiken. Ik voelde me wel eens bezwaard, tegelijk was het onze broodwinning. Daar was gelukkig wel begrip voor.”

Toen hij 65 jaar was, droeg Piet het bedrijf officieel over aan zijn zoons die het uitbreidden tot de huidige omvang. De bedrijfsovername is in goede harmonie met de vijf dochters afgerond. Piet: “Daar ben ik erg trots op.”

Meedoen aan deze rubriek? Of iemand opgeven? Mail: margreet.welink@reedbusiness.nl of schrijf naar postbus 4, 7000 BA, Doetinchem.

Of registreer je om te kunnen reageren.