Boerenleven

Achtergrond 18 x bekeken laatste update:29 sep 2016

Boeren in dienst van Hitler: geen onverdeeld succes

Emigratie is van alle dag. Nederland heeft (te) weinig grond voor (te) veel boeren en dus zijn er altijd agrarisch ondernemers die hun heil ergens anders zoeken. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de Nederlandse Oost Compagnie opgericht, die erop was gericht om (onder meer) Nederlandse boeren naar Oost-Europa te verhuizen.

Veel boeren kwamen gedesillusioneerd terug. Tenminste, als ze niet al ter plekke een graf gevonden hadden, als gevolg van overvallen door partizanen.

Nederlandse boeren konden tijdens de Tweede Wereldoorlog een bijdrage leveren aan de vergroting van de voedselproductie in Europa. Nadat Nazi-Duitsland in juni 1941 de Sovjet-Unie was binnengevallen, werd dat in de nationaal-socialistische propaganda verklaard als verweer tegen de bolsjewistische dreiging. De opmars van de Duitse troepen tot diep in het huidige Rusland bood mogelijkheden in de 'bevrijde' gebieden. De gebieden herbevolken met Germaanse bewoners, bijvoorbeeld Nederlanders, paste binnen de Nazistische ideologie.

Bij de inval in Rusland waren er al gesprekken gaande over de mogelijke Nederlandse betrokkenheid bij 'het openleggen van het bezette oosten'.

Duitse angst voor te weinig voedsel

Het tot ontwikkeling brengen van landbouwgronden in het oosten vloeide direct voort uit de Duitse angst dat er onvoldoende voedsel beschikbaar zou komen, nu de Britten de aanvoer blokkeerden. De bedenker van het plan voor de ontwikkeling van nieuwe wingewesten was de Duitse staatssecretaris voor Voedselvoorziening en Landbouw Herbert Backe.

De voorbereidingen voor de ontwikkeling van landbouwprojecten in bezette gebieden in Oost-Europa werden besproken op 7 juli 1941. Deelnemers aan dat gesprek waren twee topambtenaren van het ministerie van landbouw, Stephanus Louw Louwes en Max Hirschfeld, en Cees Staf van de Heidemij. Als Nederland een bijdrage zou leveren in de bezette Oostgebieden zou dat voordeel opleveren: graan voor mens en dier. De twee ambtenaren van het landbouwministerie - Hirschfeld en Louwes, die moesten zorgen dat de voedselvoorziening in Nederland op orde was - hoorden het idee aan zonder er bezwaar tegen maken.

Boeren staan klaar voor vertrek met de trein vanuit Oldenzaal naar het 'Oostland'. Veel van hen waren NSB'er.<br /><em>Foto: Beeldbank WO2 – NIOD</em>
Boeren staan klaar voor vertrek met de trein vanuit Oldenzaal naar het 'Oostland'. Veel van hen waren NSB'er.
Foto: Beeldbank WO2 – NIOD

Geweten gesust

De historica Geraldien von Frijtag Drabbe Künzel publiceerde eerder dit jaar een boek over de Oostlandboeren. Zij acht het mogelijk dat de Nederlandse ambtenaren het bolsjewistische regime in dat gebied niet legitiem achtten en daarmee hun geweten susten. Hoe dan ook, Cees Staf kreeg de taak om de organisatie voor werving en uitzending van grote groepen boeren op poten te zetten. Staf heeft na de oorlog gezegd dat hij in een dwangpositie verkeerde, toen hij die taak op zich nam.

Voorzitter van het Koninklijk Nederlands Landbouw Comité Herman Derk Louwes werd bij de besluitvorming betrokken. De landbouworganisaties stemden in, zij het onder voorwaarden: de boeren zouden alleen op vrijwillige basis naar het oosten uitgezonden worden, de bonden zouden hun leden eerlijk informeren en er zou geen publiciteit aan de uitzending worden gegeven.

In de loop van 1941 werd duidelijk dat in Oekraïne 500.000 hectare ter beschikking zou komen van ongeveer 3.000 boeren. De Nederlanders zouden de leiding krijgen over grote collectieve akkerbouwbedrijven of als zelfstandig boer aan de slag gaan.

Enkele honderden boeren geworven

Aanvankelijk werd de rekrutering in handen gelegd van een nieuwe organisatie met de naam Culano (Commissie tot Uitzending van Landbouwers naar Oost-Europa). Die slaagde erin enkele honderden boeren te werven, een tegenvallend aantal. De eerste trein met boeren trok in november 1941 vanuit Oldenzaal naar het oosten.

Toen in november 1941 het eerste transport per trein vanuit het Twentse Oldenzaal naar het oosten trok, werden de Nederlandse vrijwilligers gloedvol toegesproken door Evert Jan Roskam, leider van het nationaalsocialistische Agrarisch Front. Roskam leverde felle kritiek op de vooroorlogse landbouwpolitiek, roemde de Nederlandse migranten en sloot zijn rede af met de Hitlergroet. De boeren in de zaal beantwoordden de groet massaal met hun geheven rechterarm.

In Nederlandse media werd het vertrek van de Hollandse boerenjongens vergeleken met de pioniers die in de 18e eeuw naar Rusland trokken.

Oostlandboeren kwamen niet in een gespreid bedje

De eerste Oostlandboeren kwamen lang niet in een gespreid bedje terecht. Het was dan de bedoeling dat ze naar Oekraïne zouden gaan, ze kwamen terecht in Wit-Rusland. Hun was een verantwoordelijke positie beloofd, maar ze moesten werken onder Duitse supervisie. Daar kwam bij dat de uitgezonden boeren niet allemaal over de vereiste kwalificaties beschikten. Een van de begeleiders schreef in een lange brief aan zijn baas Cees Staf dat een deel van de jongens volslagen ongeschikt was, en niet in staat bleek zich aan te passen aan de situaties waarin ze terechtkwamen.

Terwijl in Wit-Rusland de organisatie een andere wending nam, kwam het hele project in Nederland in een meer politiek vaarwater. Meinoud Rost van Tonningen, die voor de oorlog voor de NSB in de Tweede Kamer had gezeten, trok de leiding ervan naar zich toe. Rost van Tonningen zag in de uitzending van Nederlandse boeren een ondersteuning van zijn Groot-Germaanse gedachte, het idee dat Centraal- en Oost-Europa toebehoorden aan de Germaanse volkeren. Hij richtte de Nederlandse Oost Compagnie (NOC) op en werd zelf president.

Boerenbestuurders werkten aanvankelijk mee
Nederlandse boerenbestuurders leken aanvankelijk niet veel bezwaar te hebben tegen het uitzenden van Nederlandse boeren naar Oost-Europa. Op een bijeenkomst van bestuurders van landbouworganisaties werden de plannen uitgelegd. De boerenbestuurders werd verzocht de boodschap te verspreiden onder de achterban.

Hoewel het niet de bedoeling was dat de landbouwkolonies in het oosten vooral uit NSB'ers zou bestaan, bleek dat in de praktijk wel het geval. De medewerkers die vanuit de Heidemij vrijwillig als begeleiders werden meegezonden, waren vaak ook lid of sympathisant van de NSB. Dat droeg eraan bij dat de landbouworganisaties die aanvankelijk nog hun steun aan het project hadden toegezegd, begonnen terug te krabbelen.

Dat had ook te maken met de politiek van Friedrich Franz Graf Grote, de Duitser die onder rijkscommissaris Seyss Inquart de verantwoordelijkheid kreeg over de voedselvoorziening en landbouw in bezet Nederland. Grote richtte de Landstand op, die in plaats moest komen van de traditionele landbouworganisaties. De bestaande 
organisaties moesten zich onder de Landstand scharen, hetgeen ze weigerden. Ze hieven zichzelf op.

Met de oprichting van de NOC werd de schaal groter. Hele delen van de Nederlandse economie konden worden overgeplaatst, vond Rost van Tonningen. Er waren niet alleen boeren nodig, maar ook boekhouders, groente- en zaadtelers, slagers, veilingmeesters en suiker- en alcoholfabrikanten. Rost van Tonningen slaagde er ook in de aanvankelijk beloofde projecten in Oekraïne van de grond te krijgen. Historica Von Frijtag Drabbe Künzel schat dat zo’n 6.000 mensen uiteindelijk werden uitgezonden, van wie meer dan 5.000 vrijwillig. Een groep van ongeveer 1.500 mannen is gedwongen tewerkgesteld.

Een groot deel van de oostgangers leefde in Nederland in grote armoede en hoopte op betere tijden in het Oosten, niet in het minst omdat hun een beeld was voorgehouden van een leeg en rijk land met vruchtbare, maagdelijke grond. In feite was het bezet gebied waar de oorspronkelijke (veelal joodse) bewoners waren uitgemoord.

Ontberingen voor Oostlandgangers

Toen de eerste Nederlandse vrijwilligers er arriveerden, was het moorden door de Duitsers al voorbij. Een deel van de oorspronkelijke bevolking werd onder dwang aan het werk gezet. Oorspronkelijk joodse bezittingen en gebouwen werden door de Oostlandgangers in gebruik genomen.

De Oostlandgangers die vertrokken met het idee dat hun gezinnen later zouden volgen, beseften al snel dat het in de regio veel te gevaarlijk was en de ontberingen veel te groot om kinderen en vrouwen te laten overkomen. Het idee was dat families zouden worden herenigd, als de situatie veilig zou zijn. Dat werd het niet. Duitse troepen werden uiteindelijk door de Russen teruggedrongen.

Ondertussen hadden de pionierende Oostlandboeren ook te maken met verzetsgroepen die de boerderijen overvielen, mede in reactie op het harde optreden van de Duitse bezettingsmacht. Boeren moeten daarbij vaak het leven laten. Overlevers gingen naar huis, waar het veiliger was. En wie toch bleef, moest wijken voor de opmars van Russische troepen.

De Nederlandse Oost Compagnie werd feitelijk ontmanteld na Dolle Dinsdag, 5 september 1944, toen de geruchten gingen dat de geallieerden een doorbraak zouden forceren en Nederland bevrijd zou worden. Het Haagse kantoor werd gesloten.

Brieven en dagboeken als bron voor studie over Oostlandboeren
Historica Geraldien von Frijtag Drabbe Künzel heeft begin dit jaar een studie gepubliceerd over de Nederlandse bijdrage aan de kolonisatiepolitiek van de Nazi's in Oost-Europa. Het boek kreeg de titel Hitlers Broedervolk. Dat boek is de bron voor dit artikel.

Of registreer je om te kunnen reageren.