Boerenleven

Achtergrond 45 x bekeken laatste update:29 sep 2016

Grondleggers: ‘Blij dat ik niet naar voorlichters luisterde’

In hun jeugd was het meeste werk nog handwerk. Toen ze zelf boer werden, gingen ze specialiseren, uitbreiden en mechaniseren. Ze werden de grondleggers van de huidige agrarische bedrijfsvoering. Zo ook Rinus Reuvekamp.

Het bedrijf in Zwolle waar Rinus is geboren, is er niet meer. Het ging ten onder aan stadsuitbreiding. Nu staat er de nieuwbouwwijk Stadshagen, maar vroeger hielden zijn ouders er dertig melkkoeien. Voor die tijd was dat aanzienlijk, er waren dan ook een knecht en een meid om te helpen. Die werden geselecteerd op geloof. “Bij ons moesten ze katholiek zijn.”

Intern wonend personeel

Het personeel woonde intern en zat altijd mee aan tafel. Voor Rinus de gewoonste zaak van de wereld, ‘we wisten niet anders.’ “Tussen de middag, als mijn ouders even gingen liggen, pakten wij kinderen soms de alpinopet van de knecht af en klommen ermee in de hooiberg. Dan hadden we de grootste lol.”

Het was overigens verboden dat meid en knecht verliefd werden op elkaar. Gebeurde dat toch, dan moest één van beiden weg, want samen onder één dak slapen kon toen niet. “Toen zich dat bij ons een keer voordeed, hadden de meid en knecht vooraf afgesproken dat als het uit zou komen, zij weg zou gaan. Zo is het ook gebeurd en later zijn ze getrouwd.”

'Meisjes telden niet mee voor bedrijfsovername'

In het weekend gingen meid en knecht naar huis en moesten de kinderen aan de bak. “Ieder moest één koe melken. Dat ging met de hand. Rinus had er geen hekel aan en wilde juist niets liever dan boer worden. “Maar ik was nummer negen in een rij van twaalf kinderen en nummer vier van zeven jongens. Meisjes telden niet mee voor bedrijfsovername.”

Met drie broers boven hem leek het een hopeloze zaak om de boerderij over te kunnen nemen. Op advies van zijn vader ging hij naar de lts, maar na een jaar stapte hij toch over naar de landbouwschool. “Dat was wat ik echt wilde.”

De man rechts is Rinus’ vader, in het midden zijn opa. Die had geleerd voor priester en sprak Frans. Rinus’ vrouw Marietje vond het best een ‘deftige familie’.<br /><em>Foto's: Jan Willem Schouten</em>
De man rechts is Rinus’ vader, in het midden zijn opa. Die had geleerd voor priester en sprak Frans. Rinus’ vrouw Marietje vond het best een ‘deftige familie’.
Foto's: Jan Willem Schouten

Paard lenen om gras te maaien

Thuis hadden ze toen al een trekker. “Die had mijn vader in 1955 gekocht. Het was een Fahr D130H, tamelijk modern want hij liep op diesel. We hebben hem al lang niet meer. Ik zoek er nog wel eens naar, maar ze zijn zeldzaam.”

Dat de trekker per direct de twee werkpaarden overbodig maakte, deed Rinus niets. “Ik had niks met paarden.” Zijn vader had er wel spijt van dat hij de dieren niet nog langer had gehouden. “Een jaar later was het zo’n natte zomer dat je met de trekker het land niet op kon. De koeien moesten op stal en we leenden van de buurman een paard om gras te maaien.”

De koeien stonden vroeger op de grupstal, de staarten opgebonden om te voorkomen dat ze in de grup hingen en vies werden.
De koeien stonden vroeger op de grupstal, de staarten opgebonden om te voorkomen dat ze in de grup hingen en vies werden.

'Heujers'

Na dat natte jaar was het leed snel geleden en werd de trekker volop gebruikt, vooral bij het maaien. De overige grasbewerking was echter nog handwerk. Tijdens de hooibouw was er hulp van seizoensarbeiders. “Ze trokken langs alle boeren. Wij noemden ze heujers.”

Een deel van het hooi werd verkocht aan mensen die nog wel met paarden werkten. “In de stad had je bijvoorbeeld de man die met paard en wagen de tonnetjes ontlasting ophaalde. Ook had je had de schillenboer en Van Gendt en Loos. Allemaal nog met paarden voor de wagen.” Maar bij Reuvekamp dus geen paarden meer. En ook geen handmelken. Al snel was er een Manus-melkmachine met drie staande ketels onder de koe.

Rinus herinnert zich de melkbussen als ‘een heel gesjouw.’ Met een karretje konden er zes tegelijk naar de weg gebracht worden.
Rinus herinnert zich de melkbussen als ‘een heel gesjouw.’ Met een karretje konden er zes tegelijk naar de weg gebracht worden.

Melktank was verademing

Rinus herinnert zich vooral het sjouwwerk. “De ketel moest je leeggieten in de melkbus. Die van ons waren 40 liter en als ze vol waren moest je ze naar de plek sjouwen waar ze gekoeld werden met koud water. Later moest je ze weer naar de weg brengen voor de melkrijder.”

Toen de melktank kwam, was dat een verademing. Overigens was daarmee het stiekem roomscheppen ook afgelopen. “Mijn zussen deden dat op zondag wel eens, voor in de koffie. Dat mocht mijn vader niet merken, want het was het duurste deel van de melk.”

Toen Rinus klaar was met zijn opleiding, was zijn vader op een leeftijd gekomen dat hij wilde stoppen. Rinus’ broer Bernard zat al in het bedrijf en deelde mee dat hij het niet in zijn eentje wilde doen. Dat was Rinus’ kans. Samen gingen ze verder als ‘de gebroeders Reuvekamp’. Ze molken toen 45 koeien en hadden de oude Fahr-trekker ingeruild voor een moderner exemplaar met voorlader. Tweedehands kochten ze er een trekkertje bij, om mee te maaien en te schudden.

De eerste trekker kwam in 1955, een Fahr D130H. ‘Tamelijk modern want hij liep op diesel.’ Het model is nu zeldzaam.
De eerste trekker kwam in 1955, een Fahr D130H. ‘Tamelijk modern want hij liep op diesel.’ Het model is nu zeldzaam.

Nieuwe start

In 1965 kreeg Rinus verkering met boerendochter Marietje. “Een echte boerin”, aldus Rinus. “Haar vader was jong overleden en zij deed het bedrijf samen met haar moeder en een knecht.” Drie jaar later trouwden ze en gingen wonen op haar ouderlijk bedrijf. Zij bracht twintig koeien in, hij tien. Die laatste deden het niet zo goed. “Ze kwamen van de klei, de nieuwe plek was zandgrond. Je ziet vaker dat het dan niet lekker loopt.”

Hun start samen, met dertig koeien, was voor Rinus even slikken. “Ik was een groter bedrijf gewend.” Hij wilde dan ook groeien, desnoods emigreren naar Canada, maar dat wilde Marietje niet. Dus greep hij in Nederland de kansen die zich voordeden. Eén zo’n kans was het bedrijf van de buurman dat te koop kwam. Die aankoop lukte, maar doorgaans liep Rinus niet voorop. “De eerste ligboxenstallen, daar waren wij bijvoorbeeld niet kapot van. De koeien waren zo vies. Tot we ergens kwamen waar het wel netjes was. Toen waren we snel om en kwam bij ons ook zo’n stal met plek voor 65 koeien.”

Ook bij Reuvekamp ging de mechanisatie voort. Er kwam een trekker bij, met een voorlader. Zo ging het werk alweer een stukje sneller.
Ook bij Reuvekamp ging de mechanisatie voort. Er kwam een trekker bij, met een voorlader. Zo ging het werk alweer een stukje sneller.

Melkquotering

Het bedrijf ontwikkelde door, tot in 1984 de melkquotering kwam. “Ik had het zien aankomen en molk in het referentiejaar alles wat ik melken kon.” Rinus had er nog wel meer gewild, maar net daarvoor hadden hij en Marietje 12 hectare grond gekocht. “Als ik dat geld in een stal vol koeien had gestopt, had ik nóg meer quotum gekregen.” Daarom werden ze aangemerkt als knelgeval. “Later kregen we voor die grond extra quotum toegewezen, zodat ik er neutraal doorheen kwam.”

Achteraf is hij blij dat hij niet naar de voorlichters heeft geluisterd. “Die riepen dat je veel koeien moest houden, dat grondgebondenheid niet uitmaakte. Ik geloofde dat toen al niet en de tijd heeft me gelijk gegeven. Voor mij hoort het één bij het ander. Vertrouw op je gevoel.”

De pas nieuw gebouwde boerderij waar Rinus en Marietje samen verder gingen. Zij bracht 20 koeien in, hij 10.
De pas nieuw gebouwde boerderij waar Rinus en Marietje samen verder gingen. Zij bracht 20 koeien in, hij 10.

Bedrijfsovername

Dankzij de quotering steeg de melkprijs en kon Rinus verder investeren. “Toch heb ik nooit de ambitie gehad om héél groot te worden. “Je kunt je maar één keer zat eten en ik wilde ook financieel niet al te diep zitten.”

Zoon Bas en zijn vrouw Marianne namen drie jaar geleden het bedrijf over, waarna Rinus en Marietje naar het dorp verhuisden. Daar hadden ze een paar jaar eerder al een huis gekocht en dat in de tussentijd verhuurd. “Samen op één erf, dat wilden we niet. Je moet elkaar de ruimte geven en Bas moet vrij zijn het bedrijf te runnen zoals hij zelf wil. Hij doet het goed trouwens, dat zie ik zo.”

Heeft Rinus nog advies voor jonge boeren die nog voor de overname staan? “Jawel. Kom altijd op voor jezelf want een ander doet het niet. Op die manier ben ik zelf een heel eind gekomen.”

De boerderij zoals die nu is. Er kwam een ligboxenstal bij, zoon Bas melkt er nu 95 koeien.
De boerderij zoals die nu is. Er kwam een ligboxenstal bij, zoon Bas melkt er nu 95 koeien.

Meedoen aan deze rubriek of iemand opgeven? Mail: margreet.welink@reedbusiness.nl of schrijf: postbus 4, 7000 BA, Doetinchem.

Of registreer je om te kunnen reageren.