Boerenleven

Achtergrond 27 x bekeken laatste update:29 sep 2016

Grondleggers: ‘Ik had een enorme grondhonger’

In hun jeugd was het meeste werk nog handwerk. Toen ze zelf boer werden, gingen ze specialiseren, uitbreiden en mechaniseren. Ze werden zo de grondleggers van de huidige agrarische bedrijfsvoering. Zo ook Rients Lenes.

Als er iemand een ongebruikelijke weg heeft bewandeld om boer te worden, is het wel Rients Lenes. Hij werd 75 jaar geleden geboren in Stobbega, een plaats met natte grond en veel sloten die deels ontstonden als gevolg van turfwinning. Tegenwoordig heet het Vegelinsoord, naar de adellijke familie Vegelin van Claerbergen, maar voor Rients blijft het Stobbega.

Zijn vader hield vijf koeien, wat geiten en ander klein spul. Rients wilde al boer worden vanaf het moment dat hij kon lopen. Zijn oudere broer echter was wat ziekelijk en om hem bij te kunnen staan, besloten zijn ouders dat hij de opvolger zou worden. “Voor mij was toen thuis geen plek meer”, herinnert Rients zich.

 

School en werk combineren

Dat was pijnlijk, maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. De kleine Lenes meldde zich bij twee gebroeders in de buurt. “Die hadden samen 28 koeien en dat was toen véél.” Van die koeien stonden er acht op de boerderij zelf. Die waren voor Rients, hij molk ze en kende ze net zo goed als de koeien thuis. Dat melken ging met de hand, hij was er goed in.

Het werk ging goed samen met school, want daarvoor hoefde hij slechts een kilometer te lopen. “Wij zijn katholiek, maar dat maakte niks uit. Iedereen ging naar de openbare school. Tot begin jaren vijftig de dominee zich ermee ging bemoeien. Die riep vanaf de kansel dat katholieke kinderen naar een katholieke school moesten.” En zo geschiedde. Maar de nieuwe school was 8 kilometer lopen, zodat Rients’ moeder een briefje meegaf voor de meester waarin stond dat hij om drie uur naar huis moest om te melken.

Als achtjarige molk Rients de koeien al. Hij mocht er later, op verzoek van zijn moeder, zelfs eerder voor uit school omdat hij nog 
8 kilometer moest lopen.<br /><em>Foto's: Jan Willem Schouten</em>
Als achtjarige molk Rients de koeien al. Hij mocht er later, op verzoek van zijn moeder, zelfs eerder voor uit school omdat hij nog 
8 kilometer moest lopen.
Foto's: Jan Willem Schouten

'Wij plattelandskinderen werden niet geaccepteerd'

“Op die school heb ik me nooit thuis gevoeld. Het was in de stad en wij plattelandskinderen werden niet geaccepteerd, want we roken naar de boerderij, liepen op klompen en spraken Fries.” Terwijl de stadskinderen tussen de middag naar huis gingen, bleven de buitenkinderen ‘op stek’.

Na de basisschool stroomde hij door naar de lagere landbouwschool. “Dat was geweldig. Eén dag in de week naar school en zes dagen praktijk op de boerderij thuis. Ik heb er zoveel van geleerd. De overgang naar de middelbare agrarische school was een domper, want daar moest je vijf dagen per week in de bankjes zitten.”

Het gebied waar Rients vandaan komt, is waterrijk. Zijn vader deed nog veel met de boot, omdat sommige percelen anders nauwelijks te bereiken waren.
Het gebied waar Rients vandaan komt, is waterrijk. Zijn vader deed nog veel met de boot, omdat sommige percelen anders nauwelijks te bereiken waren.

Officieel boerenknecht

Op zijn 16e werd hij officieel boerenknecht bij het bedrijf waar hij altijd al molk. Hij werkte 75 uur in de week en verdiende omgerekend 45 eurocent per uur. “Dat was niet slecht hoor. Het waren goede mensen.”

Zijn werk moest hij na twee jaar alweer onderbreken voor militaire dienst, maar zodra zijn tijd erop zat, keerde hij terug naar de gebroeders op de boerderij. Die hadden inmiddels, het was eind jaren vijftig, al veertig koeien.

In die tijd kreeg Rients verkering met Sientje, een boerendochter uit een groot katholiek gezin. Ze moest thuis helpen en ging twee dagen per week naar de huishoudschool. Dan bleef ze over bij een oom waar ze óók hielp in de huishouding, omdat haar tante slecht ter been was. “Die oom en tante waren kinderloos en boerden op een onmogelijke plek zonder ook maar een postzegel aan eigen land.”

Zijn vader had vijf koeien op stal staan. Waar hij kon, hielp Rients mee maar thuis de opvolger worden, dat kon niet. Hij werd elders knecht.
Zijn vader had vijf koeien op stal staan. Waar hij kon, hielp Rients mee maar thuis de opvolger worden, dat kon niet. Hij werd elders knecht.

Oomzegger

Via zijn verkering leerde Rients deze mensen kennen en het klikte meteen. Hoezeer het klikte, bleek toen de gemeente het bedrijfje van de oom wilde hebben voor stadsuitbreiding. “Oom zei: het bod moet goed zijn, want ik heb ook nog een oomzegger. Daar bedoelde hij mij mee.”

Er werd een deal gesloten die bepalend zou zijn voor de rest van Rients leven. De oom kon zijn plek ruilen voor een andere met meer en betere grond en wilde daar met Rients gaan boeren. “Oom had zeventien koeien, ik kreeg er twee van mijn vader en twee van mijn aanstaande schoonvader plus nog een pink van mijn boer. Als boerenknecht had ik omgerekend € 5.500 verdiend én overgehouden. Daar kocht ik een beest van een trekker van, een Deutz van 25 pk en een woonwagen voor ons.”

Rients kon met een ‘oom’ in maatschap. Van zijn spaargeld kocht hij een trekker en een woonwagen om de eerste jaren in te wonen.
Rients kon met een ‘oom’ in maatschap. Van zijn spaargeld kocht hij een trekker en een woonwagen om de eerste jaren in te wonen.

Niet bang om te investeren

Rients en de oom vormden een maatschap en gingen samen aan de slag. Een speerpunt van Rients was om steeds grond te kopen. Bang om te investeren was hij niet. “Toen we in maatschap gingen, had ik ruim 9.100 gulden schuld, toen de grond na vijf jaar op mijn naam kwam te staan, had ik 36.000 gulden schuld. Ik moest wel zoveel geld lenen, anders konden we niet groeien.”

En groeien wilde hij. In 1972 zette hij een ligboxenstal. Voor honderd koeien, het was ongekend. En nog wilde Rients verder, want hij was getrouwd en van de vijf kinderen toonden er twee opvallend veel interesse voor de boerderij. Dus bleef Rients zijn oren en ogen openhouden als het om grond ging. “Ik had een enorme grondhonger.”

Financiële klapper

Hij stoomde door, tot zijn vrouw maagkanker kreeg en in 1991 op haar 51e overleed. Rients was 49 en bleef achter met vijf kinderen van 13 tot 23 jaar. Wat nu? Op advies van de boekhouder keerde hij het erfdeel van zijn vrouw uit aan de kinderen. Die besteedden dat naar eigen inzicht, voor de opvolgers was het een startkapitaal.

Een flinke financiële klapper maakte Rients in 1993 door 16 hectare slechte grond op afstand te verruilen, omdat er een golfbaan op moest komen. “Mijn vader had dat twintig jaar geleden al voorspeld en hij kreeg gelijk. Voor die 16 hectare kreeg ik vlak bij ons 25 hectare goede grond terug, plus een prachtige ligboxenstal, plus een stokoude boerderij.”

Op de voorgrond de oudere broer van Rients. Die zou thuis het bedrijf overnemen, voor Rients was geen plek.
Op de voorgrond de oudere broer van Rients. Die zou thuis het bedrijf overnemen, voor Rients was geen plek.

'Iedereen moet zijn eigen visie kunnen volgen'

Nu had Rients in feite twee boerenbedrijven en dat strookte met zijn opvatting dat broers niet samen op één bedrijf moeten zitten. “Het kan wel even, maar ieder moet uiteindelijk zijn eigen visie kunnen volgen.”

Voor de laatste duw in de rug van zijn opvolgers ging hij ombeurten een maatschap met ze aan. Eerst tien jaar met een, daarna tien jaar met de ander. En intussen bleef hij scherp op grond. “Onze buren, met wie we heel goed overweg konden, hadden geen opvolgers. Bij hen had ik al eens mijn belangstelling kenbaar gemaakt voor hun grond, mochten ze ooit besluiten om te stoppen.” Toen het inderdaad zover kwam, was Rients de koper.

Het bedrijf waar zijn jongste zoon nu 230 koeien melkt. Rients komt er elke dag wel even om wat te helpen.
Het bedrijf waar zijn jongste zoon nu 230 koeien melkt. Rients komt er elke dag wel even om wat te helpen.

Opnieuw boerenknecht

In 1999 droeg hij het ene bedrijf over aan zijn ene zoon, tien jaar later het andere bedrijf aan de ander. De voldoening was en is groot. “Voor mij was vroeger geen plek thuis en dat deed zeer. Dat zou mijn kinderen niet gebeuren.”

Tot twee jaar terug, molk hij nog de koeien. Toen moest hij stoppen, omdat bij Geeske, sinds 1994 zijn tweede echtgenote, de ziekte van Alzheimer was vastgesteld. “Ik ben nu mantelzorger maar we gaan dagelijks samen nog naar de boerderij. Ik help een beetje mee, maar mijn zoon heeft de verantwoordelijkheid.” Hij slaakt een voldane zucht: “Eigenlijk ben ik nu opnieuw boerenknecht. En wat ben ik er gelukkig mee.”

Meedoen aan deze rubriek Grondleggers? Of iemand opgeven? Mail naar margreet.welink@reedbusiness.nl, of schrijf naar postbus 4, 7000 BA, Doetinchem.

Of registreer je om te kunnen reageren.