Akkerbouw

Achtergrond 878 x bekeken

Veredelaars vrezen biodiversiteitsprotocol

Plantum is bang dat een biodiversiteitsprotocol uitpakt als een patent op planten, dieren en andere organismen. De belangenbehartiger voor zaadveredelaars roept op het protocol niet te doen gelden voor commerciële rassen waar het nooit voor was bedoeld.

Soms eindigen goede bedoelingen in malaise. Volgens de koepel van veredelaars Plantum is dat het geval bij het Nagoya Protocol. Het protocol is bedoeld om de biodiversiteit wereldwijd te beschermen en kan volgens de organisatie het debat over patenteren van planteigenschappen versus het kwekersrecht overschaduwen. Het protocol was voor CDA-Kamerlid Maurits von Martels aanzet voor zijn eerste serie kamervragen.

Dat goede bedoelingen dreigen te ontsporen, ligt volgens adjunct-directeur Anke van den Hurk van Plantum in opportunisme bij de ontwikkelingslanden en opkomende economieën, die minder geïnteresseerd zijn in behoud van de rijkdom aan planten, dieren en andere organismen en vooral een financieel slaatje zouden willen slaan uit het protocol.

Een moreel appèl

In 2010 sloot een groot aantal landen het zogeheten Nagoya Protocol. Het protocol is een toevoeging aan de Conventie voor Biologische Diversiteit die stamt uit 1992. De Conventie werd vrijwel door de hele wereld getekend en komt neer op een commitment de biodiversiteit te beschermen. Woorden zijn geen daden en dus werd met een paar tussenstappen het Nagoya Protocol ontwikkeld.

Het protocol beschrijft in detail hoe het commitment de biodiversiteit te beschermen er in de praktijk uit moet zien. Kort samengevat moet de toegang tot genetische bronnen actief worden beschermd, de voordelen van biodiversiteit worden gedeeld en de naleving van de afspraken worden gegarandeerd. Een nobel streven, benadrukt directeur Niels Louwaars van Plantum.

“De basisgedachte is dat biodiversiteitsverlies een groot en groeiend probleem is en moet worden tegengegaan. De biodiversiteit van planten is het grootst in zuidelijke ontwikkelingslanden die ernstig lijden onder de opwarming van de aarde, die voor het grootste deel gevolg is van menselijke activiteit in het noorden – van zware industrie tot het gebruik van auto’s, vliegtuigen enzovoorts.”

Uitgewerkt zijn de regels niet. Zo committeren landen die het protocol toepassen zich aan het ‘creëren van condities voor het bevorderen en aanmoedigen van onderzoek dat bijdraagt aan het behoud van biodiversiteit en duurzaam gebruik onder redelijke voorwaarden’. Aan de landen zelf te bepalen wat voor condities dat zijn en hoe deze condities te koppelen aan wet en regelgeving.

Biodiversiteit als verdienmodel

Morele argumenten zijn in de filosofie achter het protocol voor arme landen onvoldoende om biodiversiteit te beschermen. Voor biodiversiteit moest een verdienmodel worden bedacht. De meeste pijn zit wat Louwaars betreft in de verplichtingen die de EU is aangegaan op het gebied van ‘benefit sharing’, het eerlijk en billijk delen van de baten van genetische bronnen.

Landen moeten met concrete maatregelen bepalen onder welke voorwaarden, bijvoorbeeld financieel, een gebruiker in een ander land recht verwerft om de aldaar aanwezige genetische bronnen te gebruiken. Deze maatregelen leiden volgens Van den Hurk in de praktijk vaak niet tot overeenkomsten en dus geen gebruik.

Economische waarde biodiversiteit

Dit heeft mede te maken met een te hoge inschatting van de economische waarde van biodiversiteit. Deze heeft vaak op zichzelf nog geen enkele economische waarde, maar krijgt deze in enkele gevallen pas na risicovolle en innovatieve onderzoeken. Bij het begin van een proces van kruisen van verschillende plantensoorten laat de waarde zich ook moeilijk inschatten.

Een rigide of hebberige toepassing van het protocol kan ertoe leiden dat steeds minder uitwisseling van genetische bronnen plaatsvindt en dat gaat ten koste van de verbetering van opbrengsten, de kwaliteit van producten en soms de duurzaamheid. “Bovendien: als genetisch materiaal minder gebruikt wordt, zal het ook eerder uitsterven.”

Diverse landen in de EU hebben besloten in het kader van de vooruitgang hun grenzen te openen voor het vrij verzamelen van biodiversiteit. Andere landen overwegen een systeem op te zetten waarbij per keer toestemming moet worden verkregen en weer andere landen koppelen een financiële som aan de transactie. Zo kan het werken met wilde varianten van bijvoorbeeld de aardappel of tomaat een dure aangelegenheid worden voor Nederlandse veredelaars.

Commerciële rassen wel/geen biodiversiteit

Omdat het begrip natuurlijke bronnen niet is uitgewerkt binnen het protocol, is bovendien de vraag onbeantwoord of ook commerciële rassen hieronder vallen.

De vraag ligt bij technische experts van de 28 EU-lidstaten, in de meeste gevallen topambtenaren. Ze bespreken de materie en willen voor het einde van het jaar tot een besluit komen.

Dit standpunt wordt in eerste instantie meestal bepaald door ministeries van milieu die niet altijd direct bekend zijn met de veredelingssector en de regelgeving daaromtrent, of in elk geval minder. Zij zijn zich mogelijk niet bewust van het feit dat de innovatie in de veredelingssector gebaseerd is op de zogenaamde veredelingsvrijstelling die het mogelijk maakt om zonder aanvullende verplichtingen verder te veredelen met kwekersrechterlijk beschermde rassen. Veel van de Europese landen hebben nog geen standpunt ingenomen over de reikwijdte van het protocol en/of lijken het zekere voor het onzekere te nemen om commerciële rassen er wel onder te laten vallen.

Minder variatie

Wat Plantum betreft is dat een verkeerde keuze. “Het ondermijnt de veredelingsvrijstelling”, aldus Van den Hurk. “Als de EU besluit commerciële rassen onder het protocol te scharen, zal dit ertoe leiden dat veredelaars minder variatie tot hun beschikking hebben, veel hogere administratieve lasten hebben en juridische onzekerheid, omdat niet valt vast te stellen wie soevereine rechten heeft over commerciële rassen. Dit leidt uiteindelijk tot minder nieuwe rassen, dus een minder divers aanbod voor boer, tuinder en consument.

Daarmee zou het protocol het tegenovergestelde van zijn doel bereiken. Plantum is niet alleen bezorgd over het scharen van commerciële rassen onder het protocol. Enkele landen, waaronder China en India, willen hun afrekeningssysteem met terugwerkende kracht doen gelden, en veredelaars verplichten de gegevens voor eeuwig te bewaren. Veredelaars moeten dan in potentie alsnog gaan betalen voor genetisch materiaal dat ze al decennia geleden hebben ingekruist.

‘We kunnen onszelf niet laten gijzelen door een systeem dat eenzijdig goed uitpakt’

“Het is belangrijk dat de EU een streep trekt”, aldus Van den Hurk. “We kunnen onszelf niet laten gijzelen door een systeem dat eenzijdig goed uitpakt en uiteindelijk de biodiversiteit eerder schaadt dan helpt. Het Nagoya Protocol moet niet tot een eeuwigdurend patent verworden met terugwerkende kracht.”

VS en Rusland doen niet mee
Het protocol is inmiddels geratificeerd door ruim 90 landen en de EU. Belangrijke landen die niet deelnemen aan het protocol zijn de VS, Canada, Rusland, Venezuela, Algerije en Chili. Een aantal landen waaronder Brazilië, Japan en Zuid-Korea zijn in principe akkoord, maar hebben nog niet geratificeerd. Landen moeten nationaal de implementatie regelen.

Of registreer je om te kunnen reageren.