Akkerbouw

Achtergrond 1644 x bekeken 2 reacties

Smartfarming: achterliggende oorzaken eerst achterhalen

Verschillen in gewasgroei binnen een perceel zijn meestal niet op te lossen via de bemesting. De invloed van de bodemgesteldheid
is veel groter.

Met verbetering van de bodem is meer te halen dan met plaatsspecifieke stikstofbemesting. Dat is een van de conclusies uit het project ‘Akkerbouw 2.0 Hightech Sensing’ dat uitgevoerd is door Delphy (voorheen DLV Plant), ZLTO en ZAJK. Verschillen in gewasgroei die in de loop van het groeiseizoen zichtbaar worden, zijn vrijwel allemaal terug te voeren op de bodemgesteldheid van het perceel. Alleen bijsturen van het gewas op basis van de ontwikkeling gedurende het seizoen heeft een betrekkelijk gering effect.

Kaarten

Volgens Delphy-adviseur en projectbegeleider Hans Moggré, is veel van wat je ziet op vliegtuigbeelden ook te zien in bodemkaarten, hoogtekaarten of historische kaarten. Door kaarten over elkaar heen te leggen zijn verbanden te vinden tussen bodem en gewasgroei en daarmee verbeteringen door te voeren. Historische kaarten bijvoorbeeld zijn te vinden op de site www.topotijdreis.nl.

Het project startte in 2014 en liep door in 2015. Aan het project deden 48 Zeeuwse akkerbouwers mee. Deze waren weer verdeeld in zes regiogroepen. Iedere deelnemer bracht twee percelen in, waarvan één waarop aardappelen geteeld werden. De nadruk lag dan ook op de mogelijkheden van hightech sensing in de aardappelteelt. Gedurende het seizoen is het verloop van de biomassa op deze aardappelpercelen gevolgd. Vanuit een vliegtuig zijn daarvoor in het eerste jaar met een hyperspectraal-camera en het tweede jaar met een multispectraal-camera beelden gemaakt. In het groeiseizoen zijn twee keer in de maand beelden gemaakt.

De telers wezen aan het begin van het seizoen drie plekken in een perceel aan waar ze de hoogste, de laagste en een gemiddelde opbrengst verwachtten. Die punten werden met gps vastgelegd; er zijn bodemmonsters genomen en in het groeiseizoen ook bladsapmetingen gedaan.

Een profielkuil in een afwijkende strook geeft inzicht in de oorzaak van achterblijvende groei in gewassen.<br /><em>Foto: Ronald Hissink</em>
Een profielkuil in een afwijkende strook geeft inzicht in de oorzaak van achterblijvende groei in gewassen.
Foto: Ronald Hissink

 

Stikstof niet bepalend

Projectbegeleider Moggré laat aan de hand van een voorbeeldperceel zien dat de ontwikkeling van de biomassa niet rechtstreeks gekoppeld is aan de uiteindelijke aardappelopbrengst. Het perceelsgedeelte dat al vroeg de meeste biomassa ontwikkelde, leverde uiteindelijk de laagste aardappelopbrengst. De conclusie is dat er voor een hoge opbrengst andere factoren belangrijker zijn dan de loofontwikkeling. Ook de stikstofgehaltes in het blad laten nauwelijks een relatie zien met de eindopbrengst. Daaruit trekken de onderzoekers de conclusie dat bij de huidige stikstofniveaus de stikstof bij aardappelen niet de bepalende factor is voor opbrengstverschillen in een perceel. Andere projecten waarbij plaatsspecifieke stikstofbemesting in aardappelen is onderzocht, laten gelijksoortige conclusies zien.

Dat roept de vraag op welke factoren dan wél een rol spelen. Binnen het Zeeuwse project is ook gekeken naar de invloed van kali op opbrengst en onderwatergewicht. Hier kwamen opmerkelijke resultaten uit. Zeker op bonte percelen zoals die in Zeeland veel voorkomen, blijken de kaligetallen binnen een perceel sterk te verschillen. In een voorbeeldperceel bleek het kaligetal uiteen te lopen van 16 tot 33. Het mengmonster gaf een waarde van 29.

Het gedeelte met het laagste kaligetal had ook de laagste aardappelopbrengst, maar wel met het hoogste onderwatergewicht. Namelijk 417 tegenover 357 op het deel met het hoogste kaligetal.

Een variabele kalibemesting kan mogelijk een homogener onderwatergewicht opleveren. Ook voor minder kalibehoeftige gewassen als suikerbieten en uien kan een variabele kalibemesting een positief effect hebben op de opbrengst. Uitgaande van het mengmonster wordt voor bieten en uien geen kalibemesting geadviseerd. Dat betekent wel dat op de delen met een laag kaligetal niet de maximale opbrengst wordt gehaald.

Relatie kali, blad en bodem

Een laag kaligetal in de bodem is ook terug te vinden in het blad van de aardappelen. Hoe minder in de bodem, hoe minder ook in het blad. Uit camerabeelden is het kaligehalte in het blad nog niet te bepalen, omdat het juiste lichtspectrum nog niet is ontdekt. Ook bodemscans die kali in de bodem kunnen meten, zijn nog niet beschikbaar. Gezien de snelle ontwikkeling van de techniek verwacht Moggré dat een dergelijke techniek over een aantal jaren wel beschikbaar komt. Mogelijk kan nu al op basis van het lutumgehalte een taakkaart voor plaatsspecifieke kalibemesting gemaakt worden. De projectresultaten laten ook zien dat er in een perceel een relatie is tussen het lutumgehalte en het kaligetal. Hoe lichter de grond, hoe minder kali. Dat is goed te verklaren doordat kali op lichtere grond minder gebonden wordt en daardoor sneller uitspoelt. Bij gelijkblijvende bemesting kan daardoor het verschil in een perceel steeds groter worden.

Hoewel bemesting niet op biomassa te sturen is, geeft de ontwikkeling van de biomassa wel inzicht in de verschillen binnen een perceel en geeft het handvatten om de bodem te verbeteren. Vocht blijkt een van de belangrijkste factoren voor de gewasgroei. Veel verschillen in groei zijn daar direct of indirect aan te koppelen. Het lastige is dat door seizoensinvloeden de effecten van de vochtvoorziening ieder jaar anders zijn.

Een drone met een camera. Meerdere bedrijven bieden telers de mogelijkheid om met drones of vanuit vliegtuigjes luchtbeelden van hun gewassen te maken.<br /><em>Foto: Mark Pasveer</em>
Een drone met een camera. Meerdere bedrijven bieden telers de mogelijkheid om met drones of vanuit vliegtuigjes luchtbeelden van hun gewassen te maken.
Foto: Mark Pasveer

 

Oorzaken soms lastig te vinden

Als voorbeeld van hoe lastig het soms is om de achterliggende oorzaak van verminderde groei op te sporen geeft Moggré een voorbeeld. Op een perceel bleef de groei in een strook dwars over het perceel achter bij de rest. Op het eerste gezicht was er geen logische verklaring voor. Bij nader onderzoek bleek deze strook verdicht te zijn. Op historische kaarten was te zien dat het ooit twee percelen waren. Beide percelen waren gedraineerd, maar op de grens bleken de drains verder uit elkaar te liggen. Daardoor bleef de grond daar altijd langer nat waardoor juist daar bij bewerkingen verdichting ontstaat. Plaatsspecifiek bijbemesten of de grond op zo’n plek diep losmaken zonder de achterliggende oorzaak op te lossen, heeft dan slechts een tijdelijk effect.

Een belangrijke ervaring uit het intensief volgen van percelen bij de 48 deelnemers is dat er heel veel factoren een rol spelen voor het behalen van een maximale opbrengst. De bodem is daarop van grotere invloed dan de bemesting of bijbemesting tijdens een seizoen. De gemaakte biomassakaarten geven de teler wel inzicht in de verschillen binnen percelen. Dat geeft handvatten om de oorzaak van de verschillen te achterhalen en daar actie op te ondernemen.

Laatste reacties

  • farmerbn

    Mijn oude Franse buurman vertelde mij dat een slechte boer op goede grond hogere opbrengsten haalt dan een goede boer op slechte grond. Ik denk dat dat ook uit deze studie blijkt. Beste grond is nooit te duur en slechte grond altijd.

  • CropdusterNL

    Remote Sensing vanuit de lucht is nu eenmaal een complex die je niet op 1 factor als biomassa kan baseren. Daar heb je specialisten voor. Kijk eens voor nader info op www.gewasscannen.nl ;-)

Of registreer je om te kunnen reageren.