Akkerbouw

Achtergrond 1036 x bekeken

‘Uienketen is voorbeeld in de agrarische sector’

De uiensector slaat de handen ineen voor ketenbreed kwaliteitsonderzoek om de uienteelt op een hoger plan te brengen en de afzet te vergroten.

Met het verdwijnen van de productschappen kwam het onderzoek in de uiensector in de knel. De keten heeft die uitdaging gezamenlijk opgepakt en in maart dit jaar maakten de uienhandel en zaadhuizen bekend dat zij zelf kwaliteitsonderzoek gaan betalen en regisseren. Tot en met 2018 is ruim € 1 miljoen beschikbaar.

Gijsbrecht Gunter, die als voorzitter van het Comité Uienhandel van GroentenFruit Huis met recht een voorman in de uiensector kan worden genoemd, is hier nauw bij betrokken. “Wij hebben het nu goed voor elkaar. Andere sectoren kijken ook naar ons: hoe doen ze dat? Zonder concrete plannen en aanwijsbare resultaten werkt niemand mee, en terecht.”

Alle neuzen staan dezelfde kant op in de uiensector. Dat is niet altijd zo geweest, waardoor bijvoorbeeld het einde van de rassenlijst zaaiuien dreigde. Hoe hebben jullie dit voor elkaar gekregen?

“Alle zaadbedrijven doen en betalen mee aan het meerjarig ketenbrede onderzoek, dat is heel mooi. We hebben best een spannende periode gehad door verschillende inzichten over de inhoud van het onderzoek. Nu zetten we in op drie sporen. Het eerste spoor is uitgangsmateriaal, waar de rassenlijst bijvoorbeeld onder valt, het tweede spoor is bemesting en het derde spoor betreft ziekten en plagen. Daarmee is iedereen tevreden.”

Het kwaliteitsonderzoek wordt betaald door de handel en de zaadhuizen. Waar zijn de telers, die ook van de uitkomsten profiteren, in dit verhaal?

“Die worden vertegenwoordigd door het Platform Uientelers dat meedenkt, maar financieel niet bijdraagt. Vooralsnog kunnen we prima van start. Er is veel enthousiasme en niet onbelangrijk: de centjes zijn er! Met het budget wordt onderzoek opgezet op de genoemde sporen en we bepalen zelf wat prioriteit heeft. De bijdrage is een fractie van wat de uienhandel betaalde aan het productschap en deze investering levert direct geld op.”

Wat gaan jullie precies onderzoeken?

“Hier hebben we in april over gebrainstormd met zo’n dertig afgevaardigden uit de sector. Alle ideeën zijn geprioriteerd naar de drie sporen. De rassenlijst is een flink deel van het onderzoek van het spoor uitgangsmateriaal. Bij het spoor bemesting waren de voornaamste onderwerpen stikstofgift, organische mest of kunstmest en de invloed van sporenelementen op smaak en kwaliteit. Bij het spoor ziekten en plagen staat koprot met stip op nummer 1. Ook fusarium werd unaniem gekozen als een belangrijke ziekte om te onderzoeken. De volgende stap is onderzoekers te vragen om een onderzoeksplan te maken en dan steken we van wal.”

Wat is uw wens ten aanzien van het onderzoeksresultaat?

“Ik heb maar één belang en dat is dat zo veel mogelijk uien naar zo veel mogelijk landen worden geëxporteerd.”

Foto: Input Output Fotografie

Daarom investeert de handel ook in promotie. Hoe?

“Op het wetenschappelijke uiencongres Euronion, dat op 19, 20 en 21 oktober in Zeeland wordt gehouden, lanceren we onze promotiecampagne ‘Meer dan een ui’. Hierin zetten we de Nederlandse ui als internationaal merk neer. Het logo is een ui in de kleuren van de Nederlandse vlag. Uien die onder dat merk vallen, moeten onderscheidend zijn. We hebben filmpjes gemaakt waarin we laten zien wat we doen en hoe goed we dat doen. Zoals het teelt- en verpakkingsproces van de ui. De filmpjes komen allemaal op een YouTube-kanaal. Onze boodschap is heel duidelijk: more than just an onion.”

Wat kan een teler doen om de promotie van de Nederlandse ui te bevorderen?

“Dat is eigenlijk heel eenvoudig: zorgen voor een kwaliteitsproduct. Je bent goed bezig als je het maximale doet om de gewenste kwaliteit te verkrijgen en openstaat voor het delen van kennis. Ik denk dat nog niet iedereen tot het uiterste gaat. De kwaliteit kan omhoog in Nederland. Te vaak wordt de ui als bulkproduct beschouwd en zo verdien je niet de beste prijs. Telen naar omstandigheden luistert ontzettend nauw. Naast de teeltaspecten is het voor de afzet lucratief om voor een bepaalde markt te produceren. Daar moet je bij de rassenkeuze, grondsoort en zaaidichtheid al rekening mee houden. Overleg daarover met je afnemer en laat je informeren.”

Waaruit blijkt dat dit lucratief is?

“Bijvoorbeeld uit de afzet naar Indonesië. Afgelopen seizoen zagen we dat uien voor Indonesië meer opleverden. Pak je dat bedrag – door te investeren in grondbemonstering – of niet? Daarnaast is er bijvoorbeeld de roze Crimsun-ui en de rode ui die meerwaarde kunnen hebben. Soms wordt me voor de voeten geworpen dat kwaliteit niet wordt betaald. Ik zeg dan: waardoor wordt de onder- en bovenkant van de notering bepaald? Kwaliteit toch? 2 tot soms wel 5 cent verschil in dezelfde week. Dat betekent voor een uienteler met een gemiddeld areaal en opbrengst zomaar € 10.000 tot € 30.000 ­extra inkomen op basis van kwaliteit.”

Hoe gaat het dit seizoen in de uienhandel?

“Een stabiel en internationaal concurrerend prijsniveau aan het begin van het seizoen in combinatie met een goede kwaliteit, is belangrijk voor een vlotte doorloop. Met een stabiele baalprijs tot 20 cent kun je tot de jaarwisseling globaal eigenlijk overal heen. In het ideale geval is iets meer dan de helft van de uien voor Kerstmis weg, omdat de exportbestemmingen in het tweede seizoen vaak wat minder divers zijn. Afrika valt dan terug en ook Azië wordt onzekerder. Bovendien is er meer product van elders op de markt. Denk aan Brazilië, Rusland en Oost-Europa. Afzetseizoen 2015-’16 is goed begonnen met een mooie weekexport en goede kwaliteit. Ik verwacht opnieuw een productie van boven de miljoen ton exportwaardig product. Op veel plaatsen in Europa is het erg droog. Dat biedt kansen op de markt, want Nederland is veel afhankelijker van de productie elders dan van die in eigen land.”

Vorig jaar zagen we dat een overvloedige plant­uienproductie de prijsvorming negatief kan beïnvloeden. Zou areaalbeperking verstandig zijn?

“Het uienareaal is niet te sturen en dat moet je ook niet willen. Het is een vrije markt. En vergeet niet dat de plantuienteelt heel lucratief kan zijn. Dit seizoen zijn we ook op een hoog prijsniveau begonnen. Dat is mooi, want dan kunnen zowel telers als handel blijven investeren. De vraag naar heel vroege plantuien neemt naar mijn idee wel af. Vroeger stonden de verwerkers erop te wachten, maar tegenwoordig komen die uien uit andere landen. Al met al zou het areaal plantuien wel ietsje minder mogen van mij. Het is in 2015 met 6 procent gegroeid naar 7.900 hectare, inclusief eerstejaars plantuien. Dat is echt veel.”

Het zaaiuienareaal is in vijftien jaar fors gestegen van pakweg 14.000 naar waarschijnlijk zo’n 24.000 hectare. Intussen neemt ook het oppervlakte grondgebonden ziektes toe. Komt de uienteelt hiermee op drift?

“Ik denk dat we op de grens van het areaal zitten. Het areaal op kleigronden kan niet veel meer uitbreiden, omdat de rotatie dan in de knel komt in combinatie met de besmette percelen die niet meer kunnen worden gebruikt. De teelt verschuift iets naar andere teeltgebieden zoals de zandgrond, waar het veel moeilijker is om goede uien te produceren. Kleur, hardheid en bewaarbaarheid zijn onmisbaar en daarvoor is de kleigrond het meest geschikt. Dat wil niet zeggen dat er nooit goede uien van de zandgrond komen of slechte kwaliteit van de klei, maar dat zijn uitzonderingen. Wat ik overigens waardeer van een aantal telers op de zandgrond is hun grote inzet om op minder geschikte grond toch tot een goed product te komen. Van die inzet kunnen veel kleiboeren nog iets leren.”

Wat zijn kansen voor de uiensector?

“Onze troef is onze fantastische exportpositie. Logistiek ligt Nederland ideaal voor eenvoudige en voordelige transportmogelijkheden. Vervoer per schip is vele malen goedkoper dan truckvervoer en ook veel duurzamer. Daarbij is kwaliteit van groot belang. We kunnen jaarrond wereldwijd leveren en daarmee boren we nieuwe markten aan. Hoe meer afzetbestemmingen, hoe meer kans op een goede uienprijs. Vorig jaar hebben we ruim 500 hectare bemonsterd op aaltjes voor export naar Indonesië. Dat land stelt veel eisen en daar betalen ze een hogere uienprijs voor. Zo kan Nederland zich onderscheiden. Vorig jaar zijn uien naar Panama geëxporteerd, zelfs meer dan verwacht. Panama is nu weer aan de markt. Het ministerie en de ambassades hebben ontzettend goed werk voor ons verricht. Ons volgende doel is Costa Rica open krijgen.”

Of registreer je om te kunnen reageren.