Akkerbouw

Achtergrond 727 x bekeken

Een resistente lastpost, onderzoek naar risico schimmelbestrijders

Resistentie tegen antibiotica is inmiddels een bekend fenomeen. Veel minder bekend is de mogelijke resistentie bij mensen als gevolg van het gebruik van schimmelbestrijders in de landbouw. Arts-microbioloog Paul Verweij maakt zich zorgen. Zeker omdat inmiddels een nieuw type resistentie gevonden is bij de schimmel, die zich ook in Nederland heeft verspreid. ”Als we niets doen, ontstaan er steeds nieuwe resistenties.” Met alle gevolgen vandien.

De Aspergillus fumigatus is voor de landbouw een onbeduidende schimmel. Niemand zou zich er ooit om druk gemaakt hebben, als vijf jaar geleden niet ontdekt was dat de schimmel resistent is geworden tegen bepaalde geneesmiddelen – mogelijk als gevolg van het gebruik van bestrijdingsmiddelen.

Arts-microbioloog Paul Verweij van het Universitair Medisch Centrum St Radboud in Nijmegen komt de schimmel met enige regelmaat tegen. Het is een enorme lastpost, als hij toeslaat in patiënten met een verzwakte afweer. Iedereen heeft de schimmel – of sporen ervan – bij zich, zegt Verweij. Normaal heb je er geen last van. Maar mensen die geen afweer hebben, kunnen de schimmel niet uit het lichaam verwijderen. Dan ontstaan er infecties die uiteindelijk dodelijk kunnen zijn. Mensen die een chemokuur volgen hebben een verzwakte afweer. Als zij met zo’n schimmel besmet raken zijn ze extra kwetsbaar.

Normaal kan de schimmel worden bestreden met het medicijn Voriconazol, een middel dat zowel als tablet als via een infuus kan worden toegediend. Het is het belangrijkste beschikbare geneesmiddel tegen schimmels. Maar het is lang niet altijd normaal meer, zag Verweij samen met een aantal collega’s in 2006. De Aspergillus fumigatus is steeds vaker ongevoelig voor Voriconazol. Bij negen patiënten vond hij een resistente schimmel. En wat opmerkelijk was: vier van die patiënten waren nooit tegen schimmels behandeld. Een ander opvallend feit: de resistentie was bij alle patiënten hetzelfde, wat erop wees dat de resistentie zich niet in de patiënt had ontwikkeld. En misschien nog opmerkelijker: de resistente schimmel kwam ook gewoon in het milieu voor.

Na dat eerste onderzoek werd gekeken naar de resistentie bij 2000 beschikbare schimmelkweken uit de periode van 1994 tot 2007. De schimmels uit de periode tot 2000 toonden geen resistentie en vanaf de jaargang 2000 nam het aantal resistente stammen per jaar steeds toe.

Omdat de resistentie bij de schimmel buiten de patiënt is ontstaan, wordt gezocht naar een verband met het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de land- en tuinbouw. ”Maar niet alleen daar”, zegt Verweij. ”Die middelen worden overal gebruikt: in kleding, in coatings, in matrassen. Het gebruik van schimmelwerende stoffen is nog helemaal niet goed in kaart gebracht. In de landbouw worden heel grote hoeveelheden gebruikt. In elke willekeurige woonkamer kom je de resistente schimmels tegen. En het is inmiddels ook geen Nederlands probleem meer. De re-sistentie is ook gevonden in Denemarken en China. Het is een wereldwijd probleem. Het lijkt erop dat de resistentie ergens ontstaat en zich dan verspreidt.”

De Nederlandse land- en tuinbouw gebruikt jaarlijks naar schatting 130.000 kilo azolen (de werkzame stof in schimmelbestrijders) als bestrijdingsmiddel. Het gaat om middelen die onder meer in de graanteelt en tuinbouw worden gebruikt. In de humane gezondheidszorg ligt het gebruik jaarlijks om ongeveer 400 kilo. Het bewijs dat de resistentie is veroorzaakt door azolen, die als schimmelbestrijder in de land- en tuinbouw worden toegepast, is nog niet geleverd. Er zijn pogingen gedaan in het laboratorium. Die experimenten leveren weliswaar resistente schimmels op, maar niet met hetzelfde type resistentie dat nu wordt gevonden in het milieu en bij patiënten.

Ongeloof
Het is ook niet zo dat er een relatie lijkt te zijn tussen de introductie van azolen als gewasbeschermingsmiddel en het ontstaan van de resistentie. ”Azolen worden al sinds de jaren 70 gebruikt. En de oudste bekende resistentie in Nederland dateert van 1998”, zegt Verweij. ”Wij denken dat bepaalde azolen voor de resistentie zorgen. In de land- en tuinbouw worden wel dertig verschillende azolen gebruikt. Daarvan had ik geen idee als medicus. Wij werken daarom al een aantal jaren nauw samen met Wageningen Universiteit om uit te zoeken welke azolen verantwoordelijk zijn voor het ontstaan van de resistentie en waar die middelen worden gebruikt.”

Verweij zegt dat de mogelijke relatie tussen de resistentie van de schimmel en het gebruik van bestrijdingsmiddelen voor hem een eye-opener was. Het was zeker niet zo dat hij verwachtte dat schimmelbestrijders in de land- en tuinbouw de oorzaak van het probleem zouden zijn. Maar hij vond dat verder onderzoek nodig was. Niet iedereen bleek daarvan overtuigd: ”Toen ik voorstellen deed om verder onderzoek te doen naar de relatie tussen het gebruik van azolen in de land- en tuinbouw en de resistentie bij de Aspergillus fumigatus, werden die afgewezen omdat men er niet in geloofde.” Dat stak de wetenschapper. ”Het voorstel werd afgewezen omdat men er niet in gelóófde. Als er nou tegenbewijs was geweest ... Elke stap die we zetten wees in die richting!”

Die scepsis is inmiddels weggenomen. In april werd in Amsterdam door het Europese centrum voor infectieziektenbestrijding (ECDC) een internationale bijeenkomst georganiseerd waar zowel medische experts als plantenziektenkundigen naar het probleem keken. Ook daar was het voor een aantal van de deelnemers een heel nieuw probleem – en tegelijk ook een openbaring dat ogenschijnlijk diverse disciplines (humane gezondheidszorg en plantenziektenkunde) betrokken zijn bij hetzelfde probleem.
Vanuit Nijmegen is het Nederlandse resistentieprobleem via het Centrum voor Infectieziektenbestrijding van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu inmiddels op de kaart gezet en wordt er ook samengewerkt met Wageningen Universiteit en Het Centraal Bureau voor Schimmelcultures. Er liggen adviezen bij de ministeries van Volksgezondheid en ELI om meer onderzoek te doen en om in elk geval in de gaten te houden hoe de resistentie zich ontwikkelt.

Nieuw type
Die inventarisatie levert ook nieuwe gegevens op. ”We hebben inmiddels een nieuw type resistentie gevonden bij de schimmel, die zich ook in Nederland heeft verspreid. Als we niets doen ontstaan er steeds nieuwe resistenties. Voor patiënten met infecties is dat slecht nieuws. Want het overlijdensrisico van een patiënt met infecties door een resistente schimmel is twee keer zo groot als van een patiënt die is getroffen door een normale schimmel.”

Verweij werkt aan de ontwikkeling van snelle tests (PCR) die in staat zijn de resistente schimmel aan zijn erfelijke eigenschappen te herkennen. De techniek is er, maar je moet wel precies weten op welke eigenschappen je de schimmel moet screenen. ”Met zo’n test zouden we in elk geval beter kunnen behandelen”, zegt Verweij.

Zou Verweij op grond van de problemen in de humane gezondheidszorg pleiten voor een verbod op het gebruik van azolen in de land- en tuinbouw? ”Het zijn zeer belangrijke producten die ook zorgen voor een goede landbouwproductie. Wat we moeten doen is uitzoeken welke middelen die resistentie veroorzaken – we denken dat het er meer zijn dan één. En dan is de vraag of je andere middelen wel kunt gebruiken. Misschien neemt de resistentie af, als je het middel niet meer gebruikt. Daar hebben we nu nog onvoldoende inzicht in. Maar je moet het wel uitzoeken. Als we niets doen, ontwikkelt zich over enige tijd het volgende resistentiemechanisme.”

Foto

Of registreer je om te kunnen reageren.